Tarieven en heffingskortingen 2027 De tarieven en heffingskortingen in de inkomstenbelasting zien er als volgt uit. 2027 2026 Tarief schijf 1 36,23% 35,7% Tarief schijf 2 38,16% 37,56% Tarief schijf 3 49,5% 49,5% Grens schijf 1 € 39.247 € 38.883 Grens schijf 2 € 78.426 € 79.137 Algemene heffingskorting, maximaal € 3.154 € 3.115 Arbeidskorting, maximaal € 5.929 € 5.712 IACK, maximaal € 2.918 € 3.032 Jonggehandicaptenkorting € 935 € 923 Zelfstandigenaftrek € 900 € 1.200 Startersaftrek € 10 € 2.123 Stakingsaftrek € 908 € 3.630 Mkb-winstvrijstelling 12,7% 12,7% * Voor mensen die geboren zijn voor 1 januari 1946 geldt een hogere bovengrens van schijf 1 van € 41.637. Vrijheidsbijdrage De wettelijke inflatiecorrectie vindt jaarlijks plaats door toepassing van de zogenoemde tabelcorrectiefactor. Het kabinet stelt voor dat burgers en (in beperkte mate) bedrijven de vrijheidsbijdrage leveren in de vorm van een beperking van de toepassing van de wettelijke inflatiecorrectie. De tabelcorrectiefactor wordt beperkt toegepast in de inkomsten- en loonbelasting voor 2027 en 2028. Normaal zou de inflatiecorrectie 2,6% bedragen (factor 1,026) in 2027, maar nu wordt slechts 48% toegepast (factor 1,01248). Daardoor stijgen tariefschijven, heffingskortingen en enkele andere bedragen minder sterk. Lees meer
Aanpassingen IB particulieren en box 2 Specifieke zorgkosten De regeling aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten zal worden afgeschaft per 2028. Er komt geen overgangsrecht voor negatieve persoonsgebonden aftrek die samenhangt met de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten. Dit betekent dat een teruggave of nagekomen betaling, die na 1 januari 2028 wordt ontvangen voor eerder afgetrokken zorgkosten, niet meer leidt tot een negatieve persoonsgebonden aftrek. Aftoppingsgrens pensioen Sinds 1 januari 2015 is het inkomen, waarover aanvullend pensioen of een lijfrente kan worden opgebouwd, gemaximeerd. De zogenoemde aftoppingsgrens wordt jaarlijks geïndexeerd. In 2026 bedraagt de aftoppingsgrens € 137.800. In 2025 en 2026 is de aftoppingsgrens niet geïndexeerd. Voorgesteld wordt om ook in de jaren 2027 tot en met 2032 geen indexatie toe te passen op de aftoppingsgrens. Verkrijgingsprijs bij zetelverplaatsing Als de werkelijke leiding van een vennootschap wordt verplaatst naar Nederland (zetelverplaatsing), ontstaat voor de in het buitenland woonachtige aanmerkelijkbelanghouder een buitenlandse belastingplicht voor de inkomstenbelasting. Dit leidt ertoe dat over reguliere voordelen en over vervreemdingsvoordelen in Nederland inkomstenbelasting in box 2 is verschuldigd. Op basis van de huidige wettekst kan het standpunt ingenomen worden dat de verkrijgingsprijs vastgesteld moet worden op de (historische) tegenprestatie bij verkrijging van het aanmerkelijk belang. Om dit te voorkomen wordt voorgesteld om de verkrijgingsprijs bij zetelverplaatsing vast te stellen op de waarde in het economische verkeer van het aanmerkelijk belang op dat moment. Hierdoor wordt alleen een waardestijging of een waardedaling die plaatsvindt na de zetelverplaatsing tot het inkomen uit box 2 gerekend. Vererfd ab en fictief regulier voordeel Bij een vererfd aanmerkelijk belang kan onder voorwaarden gebruik worden gemaakt van een faciliteit waardoor reguliere voordelen die binnen 24 maanden na overlijden worden ontvangen, niet direct in box 2 worden belast. Deze faciliteit kan ongewenst uitpakken bij een fictief regulier voordeel uit de Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap. Voorgesteld wordt dat de faciliteit voor een vererfd aanmerkelijk belang niet kan worden toegepast op dit fictieve voordeel. Bovendien voorkomt de maatregel dubbele heffing. Zonder uitsluiting kan het maximumbedrag van € 500.000 niet worden verhoogd, waardoor bij een ongewijzigde schuld in een volgend jaar opnieuw een fictief regulier voordeel ontstaat. Lees meer
Aanpassingen ondernemingen Afschaffen startersaftrek De startersaftrek is een regeling in de inkomstenbelasting waardoor een ondernemer, die minder dan vijf jaar ondernemer is (starter), onder voorwaarden maximaal drie jaar recht heeft op een extra aftrekpost van maximaal € 2.123. De startersaftrek wordt per 1 januari 2027 verlaagd tot € 10 en per 1 januari 2028 volledig afgeschaft. In het verlengde hiervan wordt in 2028 ook de regeling willekeurige afschrijving starters afgeschaft. Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid Verder wordt voorgesteld om per 1 januari 2029 de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid af te schaffen. De regeling is bedoeld voor ondernemers die niet aan het urencriterium van 1.225 uur voldoen, maar wel aan het verlaagde urencriterium van 800 uur. Op dit moment is de aftrek in het eerste jaar maximaal € 12.000, in het tweede jaar maximaal € 8.000 en in het derde jaar maximaal € 4.000. Versoberen en afschaffen meewerk- en stakingsaftrek Naar verwachting worden per 2027 de meewerkaftrek en stakingsaftrek eerst met 75% versoberd en per 2030 afgeschaft. De meewerkaftrek is een regeling waardoor IB-ondernemers, van wie de partner onbetaald in de onderneming meewerkt, minder belasting over hun winst hoeven te betalen. De hoogte van de meewerkaftrek is gekoppeld aan het aantal door de partner gewerkte uren. De stakingsaftrek zorgt ervoor dat IB-ondernemers, die stoppen met hun onderneming, over een deel van de daarbij behaalde winst geen belasting hoeven te betalen. De stakingsaftrek bedraagt op dit moment € 3.630. Dat wordt € 908 in 2027. Verhogen aftrekpercentage EIA Het aftrekpercentage van de energie-investeringsaftrek (EIA) wordt per 1 januari 2027 verhoogd van 40% naar 45,5%. Hiermee wordt het financieel aantrekkelijker voor bedrijven om investeringen te doen in energiebesparende maatregelen of duurzame energie. Hiermee probeert het kabinet om de verduurzaming te versterken en de afhankelijkheid van energie uit het buitenland te verminderen. Afschaffen bosbouwvrijstelling De bosbouwvrijstelling is een regeling die de voordelen uit bosbedrijf vrijstelt van inkomsten- resp. vennootschapsbelasting. Het kabinet stelt voor de bosbouwvrijstelling per 1 januari 2029 af te schaffen, zonder enige vorm van overgangsrecht. Doelstelling van de bosbouwvrijstelling is het bevorderen van het behoud en de aanleg van bossen door bosbedrijven. De bosbouwvrijstelling is volgens recent onderzoek niet doeltreffend en niet doelmatig. Bosbouwbedrijven zijn niet of weinig winstgevend. Het gebruik van de vrijstelling door bosbouwbedrijven is daarom beperkt. Vooral niet-bosbouwbedrijven met een beperkt bosbezit maken gebruik van de regeling. Afschaffing maakt het belastingstelsel eenvoudiger Een deel van de opbrengst van het afschaffen van de bosbouwvrijstelling zal worden besteed aan natuurbeleid via de begroting van het Ministerie van LVVN. MKB-forfait innovatiebox De vennootschapsbelasting kent een forfaitaire regeling om de innovatiebox toegankelijker te maken voor het midden- en kleinbedrijf (mkb). Als voor deze regeling wordt geopteerd, wordt 25% van de winst aangemerkt als het saldo van voordelen uit hoofde van de immateriële activa en in de innovatiebox belast. Er geldt een maximum van € 25.000 per jaar en per belastingplichtige. Omdat de winst uit een immaterieel activum zich meestal niet in één jaar voordoet, is ervoor gekozen deze te verdelen over het jaar waarin het immateriële activum ontstaat en de twee daaropvolgende jaren. Het kabinet stelt voor om deze forfaitaire regeling per 1 januari 2027 te verruimen door het maximumbedrag te verhogen naar € 100.000. Lees meer
Wijzigingen auto Youngtimerregeling Het kabinet bouwt de youngtimerregeling geleidelijker af, zodat autobedrijven en ondernemers minder abrupt geraakt worden door stijgende kosten. Deze leeftijdsgrens gaat in 2027 van 16 naar 17 jaar. Per 2028 geldt voor elke auto dat de youngtimerregeling pas kan worden toegepast als de leeftijdsgrens van 20 jaar is overschreden. Dat leidt dus tot het wegvallen van de youngtimerregeling voor auto’s die in 2027 de leeftijdsgrens van 17, 18 of 19 jaar hebben overschreden, maar nog niet de leeftijdsgrens van 20 jaar. De eerdere verhoging van de leeftijd van auto’s in de youngtimerregeling naar 25 jaar gaat niet door. Tijdelijke verlaging motorrijtuigenbelasting voor bestel- en vrachtauto’s Vooruitlopend op wetgeving is bij beleidsbesluit per 1 juli 2026 een tijdelijke verlaging van de motorrijtuigenbelasting (mrb) ingevoerd voor bestel- en vrachtauto’s. Voor bestelauto’s van ondernemers is het tarief van de mrb gehalveerd. Het tarief van de mrb voor vrachtauto’s is tijdelijk op nihil gesteld. De aanpassingen gelden voor de periode van 1 juli tot en met 31 december 2026. Het Belastingplan 2027 bevat de wettelijke grondslag voor de in het beleidsbesluit opgenomen goedkeuring. De wetsartikelen, waarin de tariefverlagingen zijn opgenomen, werken terug tot en met 1 juli 2026. Met ingang van 1 januari 2027 gelden de normale wettelijke regelingen weer. Tijdelijk verlagen vrachtwagenheffing De vrachtwagenheffing is op 1 juli 2026 gestart. De hoogte van de vrachtwagenheffing is afhankelijk van het voor de betreffende vrachtwagen geldende tarief en het aantal kilometers dat met de vrachtwagen op heffingsplichtige wegen wordt gereden. De tarieven en heffingsplichtige wegen zijn vastgelegd in de Wet vrachtwagenheffing. Van 1 september tot en met 31 december 2026 geldt een verlaging van de tarieven met 22,3%. Die verlaging is opgenomen in een goedkeurend beleidsbesluit, vooruitlopend op wetgeving. De tijdelijke wijziging van de tarieven is opgenomen in het BP 2027 om te voorzien in de vereiste wettelijke grondslag. Pseudo-eindheffing fossiele personenauto’s De pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s (pefa) treedt op 1 januari 2027 in werking, zoals vastgelegd in het Belastingplan 2026. Deze heffing bedraagt 12% van de cataloguswaarde van de fossiele personenauto. Werkgevers betalen de heffing als zij zo'n auto ook voor privégebruik aan werknemers beschikbaar stellen. Woon-werkverkeer valt hier ook onder. Het kabinet stelt nu enkele aanpassingen voor om problemen die zijn opgemerkt te verminderen. Vervangend vervoer bij onderhoud en reparatie De pefa is niet van toepassing op een vervangende fossiele personenauto die een werknemer privé gebruikt vanwege onderhoud of reparatie van de vaste auto. Deze uitzondering geldt als de vervangingsperiode maximaal veertien dagen per onderhouds- of reparatieperiode duurt. Een bandenwissel of schadeherstel valt hier ook onder. Wordt de termijn van veertien dagen overschreden, dan is de pefa vanaf de vijftiende dag dat de vervangende auto ter beschikking is gesteld verschuldigd. De pefa geldt dan voor de gehele kalendermaand waarin de vijftiende dag valt. De uitzondering geldt niet wanneer de vaste auto niet voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld, maar de vervangende auto juist wel voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld. Uitzondering voor lesauto’s Voertuigen zonder CO₂-uitstoot hebben doorgaans een automatische transmissie. Daarom worden auto’s met handgeschakelde transmissie, die worden gebruikt voor rijles, uitgezonderd van de pefa. Deze maatregel voorkomt dat het aanbieden van handgeschakelde lesauto’s wordt ontmoedigd, wat de rijvaardigheid van nieuwe automobilisten kan beperken. Termijn overgangsrecht Het overgangsrecht voor auto’s die vóór 1 januari 2027 voor het eerst ter beschikking zijn gesteld, wordt verlengd tot en met 31 december 2030 (was 16 september). Dit voorkomt administratieve lasten door een einde halverwege een maand of jaar. De verlenging sluit ook beter aan bij de regeling privégebruik auto, die ook per kalenderjaar is. Incidentele terbeschikkingstelling Ook komt er een nieuwe uitzondering voor tijdelijk gebruik van auto's, zoals huur- of deelauto’s. Een werkgever mag per kalenderjaar één keer een fossiele personenauto maximaal zeven aaneengesloten dagen privé beschikbaar stellen zonder de heffing te betalen. Dit geldt per fossiele auto per werkgever en per kalenderjaar. Als dezelfde auto in hetzelfde jaar aan een andere werknemer of voor een tweede periode privé wordt gebruikt, geldt de uitzondering niet. De werkgever betaalt dan de heffing over de betreffende maanden. Deze uitzondering stopt op 31 december 2030. Anticumulatiebepaling Er wordt een anticumulatiebepaling in de wet opgenomen om te voorkomen dat de pefa samenloopt met de pseudo-eindheffing voor hoge vertrekvergoedingen. Dit betekent dat het bedrag van de pseudo-eindheffing voor te hoge vertrekvergoedingen wordt berekend zonder het voordeel van de fossiele auto mee te tellen. Zo wordt dubbele belasting over hetzelfde bedrag voorkomen. Lees meer
Maatregelen Loonbelasting Onbelaste reiskostenvergoeding naar € 0,25 De gerichte vrijstelling voor reiskosten wordt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 verhoogd van € 0,23 naar € 0,25. In navolging van deze verhoging worden ook het forfait voor aftrekbare reiskosten voor IB-ondernemers en resultaatgenieters en het forfait voor reiskosten bij specifieke zorgkosten bij ziekenbezoek, weekenduitgaven voor gehandicapten en het forfait voor de giftenaftrek voor de situatie waarin een vrijwilliger afziet van een reiskostenvergoeding verhoogd van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. Afschaffen vrijstelling eigen producten WKR Voorgesteld wordt om de gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten af te schaffen. Deze vrijstelling gold sinds 2015. Werkgevers konden sindsdien een korting geven tot een bedrag van ten hoogste 20%, maar niet meer dan € 500 per werknemer per kalenderjaar op producten uit het eigen bedrijf. Denk hierbij aan personeelskorting op boodschappen, kleding, elektronica, gezinsabonnementen, vliegtickets, hypotheekadvies of verzekeringspremies. Werkgevers kunnen vanaf 2027 nog wel personeelskorting blijven geven, maar deze korting moeten zij dan ten laste van de vrije ruimte van de werkkostenregeling brengen. Het is niet langer nodig om bij te houden hoeveel korting er per werknemer is gegeven. Lees meer
Aanpassingen Btw en accijns Tarief sierteelt en ballonvaarten Sierteeltproducten zijn onder meer bloembollen, bloemen, planten en boomkwekerijproducten zoals kerstbomen. Het verlaagde btw-tarief van 9% op deze producten wordt afgeschaft. Vanaf 1 januari 2028 geldt het algemene btw-tarief van 21% voor sierteeltproducten. Vanaf die datum geldt ook voor ballonvaarten het algemene tarief. Omdat er in deze sector gewerkt wordt met vooruitbetalingen, wordt met een overgangsbepaling geregeld dat het btw-tarief geldt van het moment waarop de prestatie wordt verricht. Wordt een ballonvaart dus vooruitbetaald in 2027, maar vindt deze plaats in 2028, dan is het algemene btw-tarief verschuldigd. Verlengen accijnskorting voor ongelode benzine De accijnstarieven voor ongelode benzine, diesel en LPG zijn sinds 1 april 2022 verlaagd. Per 1 juli 2023 is de verlaging gedeeltelijk teruggedraaid. Het kabinet stelt voor om de accijnskorting voor ongelode benzine te verlengen tot 1 januari 2028. Het accijnstarief voor ongelode benzine wordt iets verhoogd, maar niet geïndexeerd, waardoor de accijnskorting voor 2027 de facto ruimer wordt. Accijnstarief 2027 2026 In basispad € 1,02812 € 1,00207 Accijnskorting € 0,17643 € 0,15738 Accijnstarief € 0,85169 € 0,84469 Indexatie alcoholaccijns In tegenstelling tot andere accijnzen kent de alcoholaccijns momenteel geen indexatiesystematiek. Hierdoor neemt de hoogte daarvan relatief af bij inflatie. Voorgesteld wordt dat de hoogte van de accijns jaarlijks automatisch wordt aangepast aan de inflatie, zodat de reële hoogte van de tarieven gelijk blijft. Afschaffen kleine brouwersregeling Over bier van kleine brouwerijen wordt een lager accijnstarief geheven dan over bier van grote brouwerijen. Kleine brouwerijen (< 200.000 hl) krijgen een accijnskorting van 7,5%. Dit scheelt, afhankelijk van het alcoholpercentage, één tot twee cent per glas. Het kabinet stelt voor om dit verlaagde accijnstarief per 2028 af te schaffen, zodat ook bij kleine brouwerijen het reguliere accijnstarief wordt geheven. Lees meer
Wijzigingen Overdrachtsbelasting Verlaging algemeen woningtarief overdrachtsbelasting van 8% naar 7% Het tarief van de overdrachtsbelasting voor zogenaamde niet-hoofdverblijfwoningen, zoals woningen die investeerders kopen voor de verhuur, wordt verlaagd van 8% naar 7%. Deze verlaging moet het investeringsklimaat op de huurmarkt verbeteren en het aanbod van huurwoningen stimuleren. De startersvrijstelling en de overige tarieven, zoals het verlaagde tarief van 2% voor hoofdverblijfwoningen, veranderen niet. Nieuwe vrijstelling overdrachtsbelasting voor woningcorporaties In de overdrachtsbelasting geldt onder voorwaarden een vrijstelling bij een taakoverdracht tussen twee algemeen nut beogende instellingen (ANBI). Woningcorporaties kunnen een ANBI zijn als zij aan de voorwaarden voldoen. Deze vrijstelling heeft een aantal voorwaarden, die het voor woningcorporaties lastig maken om huurwoningen aan elkaar over te dragen zonder de heffing van overdrachtsbelasting. Zo geldt de vrijstelling niet bij de overdracht van losse onroerende zaken. Om die reden wordt een nieuwe vrijstelling voorgesteld voor overdrachten van onroerende zaken tussen woningcorporaties onderling. Het gaat daarbij alleen om onroerende zaken die woningcorporaties nodig hebben voor diensten van algemeen economisch belang. Andere onroerende zaken vallen niet onder de nieuwe vrijstelling. De vrijstelling voor taakoverdracht is niet langer van toepassing wanneer bij een taakoverdracht een koopsom wordt bedongen. Daarmee wordt voorkomen dat woningcorporaties in voorkomende gevallen een beroep op twee vrijstellingen kunnen doen. Lees meer
Wijzigingen Milieubelastingen Verhoging tarief belasting op leidingwater Met de belasting op leidingwater wordt er belasting geheven over de levering van leidingwater, al dan niet van drinkwaterkwaliteit. De belasting is tot nu toe beperkt tot de eerste 50.000 m³ leidingwater per jaar per aansluiting. In het BP 2026 is geregeld dat het heffingsplafond per 1 januari 2027 vervalt en is de belastinggrondslag versmald naar water van drinkwaterkwaliteit. De belasting op leidingwater per 2027 wordt verhoogd met 10 cent per m³ van € 0,437 naar € 0,537 (prijspeil 2026). Het tarief wordt jaarlijks geïndexeerd. Verlaging hoge tarief vliegbelasting Per 1 januari 2027 wordt het tarief van de vliegbelasting gedifferentieerd naar afstand, gebaseerd op de eindbestemming van de passagier. Er gelden drie tarieven: laag tarief: € 31,04 per passagier; middentarief: € 49,87 per passagier; en hoog tarief: € 74,81 per passagier. Duitsland heeft er recent voor gekozen de tarieven van de Duitse vliegbelasting per 1 juli 2026 te verlagen. Hierdoor zijn de tarieven in Duitsland lager dan de Nederlandse tarieven per 2027. Het kabinet stelt nu voor het hoge tarief in Nederland te verlagen tot het niveau van het hoge tarief van de Duitse vliegbelasting. Dat komt neer op een bedrag van € 59,43 (prijspeil 2027). Dit tarief geldt voor bestemmingen zoals de Verenigde Staten, Zuid-Afrika en Indonesië. Deze verlaging veroorzaakt een structurele budgettaire derving van € 61 mln. vanaf 2027. Definitie eindbestemming vliegbelasting De voorgestelde aanpassing maakt het mogelijk dat, wanneer er geen vervoersovereenkomst is (zoals bij privévluchten), de eindbestemming van een passagier ook met een ander passend bewijsstuk kan worden aangetoond, zodat in deze gevallen niet automatisch het hoogste tarief hoeft te worden toegepast. Wijziging verlaagd energiebelastingtarief glastuinbouw Het kabinet wil per 1 januari 2027 voor energieleveranciers een verplichting invoeren om een bepaalde hoeveelheid groen gas te leveren aan eindgebruikers in Nederland. Het betreft de afnemers, die binnen de afbakening van het tweede emissiehandelssysteem (ETS2) vallen. De bijmengverplichting groen gas gaat ook voor de glastuinbouwsector gelden. De meerprijs van groen gas leidt tot extra financiële lasten voor tuinbouwbedrijven. Daarom is afgesproken dat de glastuinbouw via aanpassing van de verlaagde energiebelastingtarieven tot en met 2030 wordt gecompenseerd voor de meerprijs van groen gas. Na 2030 loopt de compensatie stapsgewijs af. Het kabinet heeft ervoor gekozen om enkel de meerkosten van de bijmengverplichting groen gas voor 2027 te compenseren via de energiebelasting. In het voorjaar van 2027 neemt het kabinet een besluit over de vorm van compensatie voor de bijmengverplichting in de periode na 2027. De compensatie in de energiebelasting in 2027 vindt alleen doorgang als de bijmengverplichting groen gas per 1 januari 2027 in werking treedt. Voor 2027 gaat het kabinet uit van een maximale meerprijs van groen gas van 1,5 cent per m3 aardgas. Naast verlaging van de energiebelastingtarieven in de schijven, waarvoor al een verlaagd energiebelastingtarief geldt (tot 1 miljoen m3 aardgas), wordt het verlaagde energiebelastingtarief voor de glastuinbouw in 2027 uitgebreid naar de derde schijf voor de glastuinbouw tot 10 miljoen m3 aardgas. Lees meer
Overige voorstellen Minder regels ‘Meer ruimte voor mensen en bedrijven, en een overheid die niet hindert, maar helpt.’ Het kabinet beseft dat dit geen origineel voornemen is, maar de aanpak moet deze keer merkbaar resultaat opleveren. Een eerste stap is: zelfbeheersing in het maken van nieuwe regels. De tweede stap is: minder regels. Het doel is dat per jaar minimaal vijfhonderd regels verdwijnen of eenvoudiger worden. Ieder jaar, te beginnen dit najaar, dient het kabinet een Vereenvoudigingswet in, gericht op het afschaffen van overbodige regels en wetten. Verduidelijking belastingplichtige CO₂-heffing glastuinbouw Er wordt voorgesteld de belastingplichtige voor de CO₂-heffing glastuinbouw te verduidelijken. De belastingplichtige is op dit moment de ‘rechtspersoon of natuurlijke persoon die het glastuinbouwbedrijf’ drijft. Dit wekt de indruk dat bij personenvennootschappen (zoals maatschap en vof) de achterliggende participanten belastingplichtig zijn. Het voorstel is om duidelijker te omschrijven dat de belastingplicht rust op eenieder die het glastuinbouwbedrijf drijft, dus het samenwerkingsverband zelf. De participanten zijn dan niet afzonderlijk belastingplichtig en er hoeft ook geen toerekening aan hen plaats te vinden. Aanpassing fiscale behandeling ingeprijsd valutaresultaat Het kabinet stelt voor om de fiscale behandeling van het afdekken van valutarisico’s, die worden gelopen met een deelneming, aan te passen. Het voordeel dat wordt behaald met een instrument dat het valutarisico op een deelneming in vreemde valuta afdekt, valt op verzoek onder de deelnemingsvrijstelling. Het ingeprijsde valutaresultaat is het verwachte valutaresultaat, gelet op de relatieve zwakte of sterkte van de betreffende valuta in vergelijking met de euro. Met ingang van boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2027 behoort alleen het niet-ingeprijsde valutaresultaat op een afdekkingsinstrument tot de voordelen uit hoofde van de deelneming. De aanpassing dient ter dekking van de structurele derving van belastingopbrengst, die het gevolg is van een arrest uit 2025 over de toepassing van de liquidatieverliesregeling. Voor bestaande afdekkingsinstrumenten wijzigt door het overgangsrecht de fiscale behandeling van ingeprijsde valutaresultaten niet. Veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024 Er worden veiligehavenregels toegevoegd aan Wet minimumbelasting 2024. Met terugwerkende kracht vanaf 2026. Dit geldt voor bedrijven met een omzet van € 750 miljoen of meer. Hiermee worden vier nieuwe internationale afspraken uit de OESO opgenomen in de wetgeving. Deze regels beogen administratieve lastenvermindering en voorkomen eventuele Nederlandse bijheffingen. Lees meer
Wetsvoorstel Wet Fiscale stimulering start-ups en scale-ups Start-ups en scale-ups hebben vaak niet de financiële middelen om werknemers een concurrerend salaris te bieden. Aandelenopties kunnen hiervoor een oplossing bieden. Het voordeel uit aandelenopties is belast tegen de tarieven van box 1 van de inkomstenbelasting. Die tarieven zijn in Nederland een stuk hoger dan in andere landen. Optierechten Ter stimulering van start-ups en scale-ups stelt het kabinet een lagere loonheffing op het inkomen uit aandelenopties voor werknemers van start-ups en scale-ups voor. De belastingheffing wordt uitgesteld tot het moment van verkoop van met de optierechten verkregen aandelen. De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2027. De vrijstelling van deze aandelen in box 3 moet per 1 januari 2028 ingaan. Grondslag LB De grondslag voor de loonbelastingheffing is beperkt tot 65%, waardoor het effectieve tarief ongeveer gelijk is aan het tarief in box 2. Voorgesteld wordt om deze maatregel toe te passen op aandelenopties die door start-ups en scale-ups zijn uitgegeven sinds de bekendmaking van de fiscale regeling in de Voorjaarsnota van 2025, mits zij de loonsfeer nog niet hebben verlaten. Voorwaarde Voorwaarde voor toepassing van de regeling is dat het aandelenoptierecht of de bij uitoefening daarvan verkregen aandelen niet binnen twee jaar na toekenning mogen worden vervreemd. Deze voorwaarde geldt niet bij een eerdere verkoop of beursgang van de onderneming, omdat de werknemer in die situatie veelal gedwongen is zijn aandelen en optierechten te verkopen. RVO-beschikking RVO bepaalt bij beschikking of een onderneming kwalificeert als start-up of scale-up. Die beschikking heeft een looptijd van acht jaar en kan worden verlengd. Na het verstrijken van de geldigheidsduur van de beschikking is niet langer sprake van een start-up of een scale-up. Opties of daaruit verkregen aandelen, die dan nog niet in de heffing zijn betrokken, vallen onder de bestaande regeling voor aandelenopties in de loonheffingen. De grondslagversmalling wordt naar tijdsgelang toegekend. Emigratie Bij emigratie van een werknemer voordat de optierechten of de aandelen in de loonheffing zijn betrokken, wordt uitgegaan van een fictieve vervreemding van de aandelen(opties). Daarvoor wordt een conserverende belastingaanslag opgelegd. Voor deze aanslag wordt uitstel van betaling verleend. Samenloop met lucratiefbelangregeling Aandelen of optierechten, die als lucratief belang kwalificeren, vallen niet onder deze regeling, ook niet als zij betrekking hebben op een start-up of scale-up. Lees meer
Vijf jaar in één factuur: aftrek sneuvelt Een holding trekt ruim € 2 miljoen aan managementkosten af. Deze zijn gefactureerd door een buitenlandse vennootschap, geleid door de bestuurder van de holding. De factuur dateert van maart 2020, bestrijkt 2017 tot en met 2022 en wordt nooit betaald. De inspecteur schrapt de aftrek en de rente over dat bedrag. Vijf jaar in één factuur De vennootschap vormt met twee dochters een fiscale eenheid en verliest in juni 2020 haar enige aandeelhouder. Zijn weduwe is al sinds november 2018 bestuurder en erft de aandelen. Die bestuurder stuurt in maart 2020 via haar buitenlandse vennootschap een factuur van € 2.167.760 aan een dochter, voor het managen van een procedure tegen een bank. De specificatie beslaat 2017 tot en met 2022, dus ook werk dat nog moet gebeuren. Er wordt niets betaald. Het bedrag wordt verwerkt in de rekening-courant. Wel verzwaard, niet omgekeerd Over 2020 en 2021 komen de aangiften pas nadat de aanslagen er liggen. Wie de termijn uit de aanmaning laat verlopen, doet niet de vereiste aangifte. De AWR verbindt daaraan omkering en verzwaring van de bewijslast. Toch is de omkering hier niet aan de orde. Omdat alleen de kostenaftrek in geschil is en die bewijslast toch al op de vennootschap rust, valt er niets om te keren en resteert de verzwaring. Zij moet dus overtuigend aantonen dat de kosten zakelijk zijn. Verleden, heden en toekomst In die bewijslast slaagt de vennootschap niet. Een factuur die vijf jaar aan verleden, heden en toekomst bestrijkt, noemt de rechtbank zeer ongebruikelijk; het uitblijven van betaling versterkt de twijfel. Een schriftelijke overeenkomst over het gestelde uurtarief van $ 150 ontbreekt, net als een vastlegging van de afspraken uit februari 2020. De onkosten komen elke maand op hetzelfde bedrag uit en ontberen elke onderbouwing. De advocaten die over de inzet van de bestuurder verklaren, zien haar bovendien als bestuurder van de vennootschap zelf. Het vervallen van de aftrek heeft ook gevolgen voor de rente. Lees meer
Btw-ondernemerschap door verhuur werkruimte aan eigen bv Een dga verhuurt sinds 2009 een werkkamer, de garage en een kantoor in het souterrain aan zijn eigen bv, voor € 2.000 per maand. De dga wil met zijn vennootschappen één fiscale eenheid voor de omzetbelasting vormen, maar de inspecteur houdt hem daarbuiten. Verhuren aan de eigen werkgever is in zijn ogen geen zelfstandig ondernemerschap. De rechtbank denkt daar anders over en het hof bevestigt dat. Doorslaggevend zijn de schriftelijke huurovereenkomst en vijftien jaar betaalde huur. De dga hoort dus in de eenheid. Een contract uit 2009 De dga bezit alle aandelen in een holding, die op haar beurt de aandelen in de bv houdt. Hij is in dienst bij de holding, die zijn loonkosten doorbelast aan de bv. In maart 2009 sluit hij met de bv een huurovereenkomst voor het exclusieve gebruik van de werkkamer, de garage en het kantoor in het souterrain. De tuin, oprit en technische ruimte gebruiken zij samen. De huur wordt elke maand voldaan, tot hij vijftien jaar later emigreert. Deelname aan de markt Volgens de inspecteur ontbreekt hier elke realistische marktverhouding. De ruimten horen bij de woning, de medebewoners lopen door de garage en de huurprijs dekt hooguit de kostprijs. Het hof gaat daar niet in mee. Bij een pand dat zich voor zakelijk en privégebruik leent, tellen alle omstandigheden van de exploitatie en die wijzen één kant op: vijftien jaar onafgebroken verhuur tegen een vaste vergoeding. Of die vergoeding onder de kostprijs of de marktprijs ligt, doet niet ter zake zolang dienst en betaling een reëel verband houden. Los van de dienstbetrekking De vraag resteert of de dga zelfstandig handelt. Sinds het arrest Van der Steen is hij voor werk uit zijn arbeidsovereenkomst geen btw-ondernemer en het gebruik van kamers in zijn woning voor die dienstbetrekking telt evenmin zelfstandig mee. Verhuur naast de dienstbetrekking kan wel ondernemerschap opleveren, mits objectieve gegevens dat bevestigen. Die zijn er: een schriftelijk contract met een omschreven huurobject en een huur die maandelijks binnenkomt. Bij die verhuur ontbreekt elke ondergeschiktheid, ook al gebruikt de bv de ruimten uitsluitend voor zijn werkzaamheden. Dat de holding de vergoeding in de loonaangifte tot het loon rekent, maakt de verhuur evenmin een uitvloeisel van de dienstbetrekking. Lees meer
Geen arbeidskorting na ziekmelding Ziektewetuitkeringen worden alleen als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking aangemerkt als deze worden genoten tijdens een bestaande dienstbetrekking. Als de dienstbetrekking is beëindigd, vormen de uitkeringen geen inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking. In dat geval bestaat er geen recht op arbeidskorting. Uitzendovereenkomst Op 25 november 2021 sluit een man een uitzendovereenkomst (fase A). Deze overeenkomst bevat een belangrijke bepaling: de dienstbetrekking eindigt van rechtswege bij ziekmelding. In 2022 meldt de man zich ziek in week 7 en opnieuw van week 14 tot en met 52. Voor deze periodes ontvangt hij een ziektewetuitkering. In zijn aangifte 2022 geeft de man € 26.962 aan als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking en claimt hij een arbeidskorting van € 4.008. De inspecteur stelt de arbeidskorting vast op € 915. Arbeidskorting De rechtbank oordeelt dat de ziekmelding de dienstbetrekking heeft beëindigd. De ziektewetuitkering die de man in week 7 van 2022 heeft ontvangen, kan daarom niet worden gerekend tot inkomen uit een tegenwoordige dienstbetrekking. Er bestaat over dit bedrag geen recht op arbeidskorting. Wanneer de man vanaf week 8 weer arbeid verricht, is er sprake van een nieuwe arbeidsovereenkomst. Dit volgt uit de contractuele bepaling dat partijen een nieuwe overeenkomst moeten sluiten als de eerdere dienstbetrekking wegens ziekte is beëindigd. Deze nieuwe dienstbetrekking eindigt vervolgens van rechtswege met de tweede ziekmelding van de man. Hierdoor kunnen ook de ziektewetuitkeringen die de man heeft ontvangen in de weken 14 tot en met 52 van 2022 niet worden gerekend tot inkomen uit een tegenwoordige dienstbetrekking. Ook over deze bedragen bestaat dus geen recht op arbeidskorting. Lees meer
Wie een vordering afwaardeert, moet eerst bewijzen dat die bestaat Een afwaardering van een vordering begint niet bij de vraag of de lening zakelijk is, maar bij het dossier waaruit blijkt dat de lening bestaat. Een leningsovereenkomst, een corresponderende schuld bij de debiteur en een consequente vermelding in beide aangiften zijn geen formaliteiten, maar het bewijs zelf. Een lening uit 2006 Een vennootschap bestaat sinds 1996 en heeft één aandeelhouder. Die aandeelhouder houdt daarnaast 50% van de aandelen in de latere debiteur, die in 2006 een voormalige slipbaan koopt. Voor die aankoop verstrekt de vennootschap naar eigen zeggen een lening. Haar jaarrekening 2017 toont per eind 2016 een vordering van € 95.397, die met bijgeschreven rente van 5% oploopt tot € 147.544. Een jaar later is die post verdwenen en loopt € 142.504 als buitengewone last door de winst-en-verliesrekening. De debiteur wordt in maart 2018 ontbonden. Bewijslast bij de inspecteur De inspecteur laat de last niet in aftrek toe. Hij stelt het verlies bij beschikking vast op € 116.485. Volgens hem is de vordering een onzakelijke lening, want geen derde zou dit debiteurenrisico aanvaarden. De rechtbank legt de bewijslast daarvoor bij de inspecteur en oordeelt dat de inspecteur daar niet in slaagt. Het verlies gaat conform de aangifte naar € 258.989. In hoger beroep stelt de inspecteur primair dat er geen vordering is. Dat keert de bewijspositie om. Nergens een spoor Wie een last opvoert, moet die zelf aannemelijk maken. De jaarrekening 2017 van de debiteur vermeldt geen corresponderende schuld. In de aangiften vennootschapsbelasting over 2010 tot en met 2014 noemt geen van beide vennootschappen de lening. Ook de jaarrekening 2007 van de belastingplichtige, het jaar na de gestelde lening, toont geen vordering op de debiteur, maar alleen een deelneming en enkele kortlopende vorderingen. Dat valt niet te rijmen met een lening uit 2006 voor de slipbaan. Verdere bewijsstukken ontbreken. Lees meer
Terugbetaling van kapitaal moet vooraf zijn geregeld, niet achteraf In 2019 laat een directeur-grootaandeelhouder zijn werkmaatschappij € 116.324 uit de agioreserve op zijn privérekening storten. De inspecteur ziet daarin een verkapte uitdeling door de tussenliggende holding en legt een navorderingsaanslag op naar een verzamelinkomen van € 198.153. De aandeelhouder stelt dat hij een onbelaste terugbetaling van kapitaal bedoelt en laat de besluitvorming in 2023 alsnog repareren. Het hof oordeelt dat de wettelijke voorwaarden vóór de uitkering vervuld moeten zijn. De navordering blijft in stand. Geld uit de agioreserve De aandeelhouder bezit alle aandelen in een holding, die op haar beurt alle aandelen in de werkmaatschappij houdt. Op 14 oktober 2019 besluit de aandeelhoudersvergadering van de holding tot een uitkering uit de agioreserve van de werkmaatschappij. Diezelfde dag doet de werkmaatschappij aangifte dividendbelasting en kruist aan dat inhouding achterwege kan blijven. Het bedrag gaat rechtstreeks naar de privérekening van de aandeelhouder. Hij vermeldt het niet in zijn aangifte over 2019, maar geeft het in mei 2022 alsnog aan als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang, waarna de inspecteur navordert. Reparatie in 2023 In bezwaar noemt de aandeelhouder het een terugbetaling van kapitaal. In juni 2023 volgt een reeks herstelhandelingen. De werkmaatschappij zet de agioreserve om in nominaal aandelenkapitaal, vermindert dat kapitaal weer en draagt haar vordering op de aandeelhouder over aan de holding. De holding verrekent die vordering met een dividenduitkering. In augustus 2023 maakt de aandeelhouder € 116.324 over naar de werkmaatschappij en daarmee acht hij de uitdeling teruggedraaid. Hij beroept zich bovendien op dwaling. Wanneer is het een uitdeling? Een regulier voordeel ontstaat zodra vermogen naar de aandeelhouder verschuift met de bedoeling hem als zodanig te bevoordelen, terwijl beide partijen zich daarvan bewust zijn of hadden moeten zijn. De aandeelhouder zit de vergadering zelf voor, notuleert die en ondertekent de aangifte dividendbelasting. Bovendien geeft hij het bedrag in 2022 zelf aan. Verkeerd jaar, verkeerd niveau De wet IB verlangt voor een onbelaste terugbetaling dat de algemene vergadering daartoe besluit en dat de nominale waarde van de aandelen bij statutenwijziging met hetzelfde bedrag daalt, beide vóór de uitkering. In 2019 gebeurt geen van beide. Wat in 2023 alsnog gebeurt, valt in het verkeerde jaar en op het verkeerde niveau: bij de werkmaatschappij in plaats van de uitkerende holding. Ook het beroep op dwaling helpt niet. De terugwerkende kracht van een vernietiging geldt fiscaal niet. Lees meer
Rentetoerekening aan oudste schuldigerkenning voorkomt fictieve verkrijging Een man schenkt zijn zoon tweemaal € 100.000 via schuldigerkenningen, waarover hij jaarlijks 6% rente verschuldigd is. Voor zijn overlijden betaalt de man eenmaal € 7.000 rente zonder specificatie. De inspecteur stelt dat de rente niet volledig is voldaan, waardoor beide schenkingen fictieve erfrechtelijke verkrijgingen zijn. Fictieve verkrijging en toerekening Volgens de wet is sprake van een fictieve verkrijging als de erflater het genot van de geschonken goederen heeft behouden en niet jaarlijks minimaal 6% rente heeft betaald. Het hof oordeelt dat voor elke schuldigerkenning afzonderlijk moet worden beoordeeld of de rente tijdig en voldoende is betaald. Indien rentebetalingen niet zijn gespecificeerd en minder rente is betaald dan verschuldigd over alle schuldigerkenningen samen, moet de betaalde rente worden toegerekend aan de respectieve schuldigerkenningen. Oudste verbintenis Het hof oordeelt dat de betaling van € 7.000 op 2 december 2020 zoveel mogelijk moet worden toegerekend aan de oudste verbintenis, de schuldigerkenning van 2019. Voor deze schuldigerkenning is de verschuldigde rente uiteindelijk tijdig voldaan. Voor de schuldigerkenning van 2020 is een deel van de rente niet tijdig betaald, waardoor deze terecht als fictieve verkrijging in de erfbelasting is betrokken. Dat de rentebetalingen niet zijn gespecificeerd in de betalingsomschrijving staat daaraan niet in de weg. Lees meer
Loonbetaling aan werknemer onder bewind Een werkgever betaalt het salaris rechtstreeks aan een werknemer. Achteraf blijkt dat de werknemer onder bewind stond en de betaling aan de bewindvoerder had moeten plaatsvinden. Bewind en loonbetaling Een vof exploiteert kermisattracties en heeft een werknemer in dienst. De werknemer staat sinds 2 juni 2022 onder bewind. De werknemer werkt van 1 juli 2024 tot en met 16 augustus 2024 voor de vof. De vof betaalt het salaris van € 3.810,64 bruto, inclusief 8% vakantietoeslag, rechtstreeks aan de werknemer. Op 11 februari 2026 sommeert de bewindvoerder de vof om het bedrag alsnog aan haar te betalen, maar de vof betaalt niet. Niet-bevrijdende betaling De bewindvoerder stelt dat de vof het loon aan de verkeerde persoon heeft betaald, waardoor de betaling niet bevrijdend is. De vof verweert zich met de stelling dat zij niet wist dat de werknemer onder bewind stond en dat de werknemer zelf de bankgegevens heeft opgegeven. Het beheer over de onder bewind staande goederen komt niet aan de werknemer maar aan de bewindvoerder toe. De werknemer was niet bevoegd de betaling in ontvangst te nemen. Openbare registers De rechtbank oordeelt dat de betaling aan de werknemer niet bevrijdend is. De vof had kunnen weten dat de werknemer onder bewind stond, omdat het bewind is ingeschreven in de openbare registers. De vof blijft daarom verplicht het loon te betalen. De rechtbank wijst de vordering toe voor het netto-equivalent van € 3.810,64 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2026. De gevorderde wettelijke verhoging van 50% wordt afgewezen, omdat het loon wel tijdig aan de werknemer is betaald, zij het niet bevrijdend. Lees meer
Vergoeding voor ERE-certificaten is geen loon Vanaf 2026 kunnen particulieren met een elektrische auto onder bepaalde voorwaarden een vergoeding ontvangen voor de stroom die zij thuis via hun eigen laadpaal laden. Dit gebeurt via zogenoemde ERE-certificaten (Emissiereductie-eenheden), die aantonen dat er CO₂-uitstoot is bespaard. De vergoeding voor de ERE-certificaten wordt betaald door bedrijven die fossiele brandstoffen verkopen. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het aantal geladen kilowattuur (kWh) en de marktwaarde van de certificaten. Werknemers die hun elektrische auto van de zaak thuis opladen, kunnen voor die geladen stroom ook een vergoeding voor de ERE-certificaten krijgen. Deze vergoeding vormt geen loon in de zin van de wet. Loon van de werkgever De vergoeding voor ERE-certificaten vormt geen loon van de werkgever. Dit komt doordat niet wordt voldaan aan de 'verstrekkingseis' en de 'causaliteitseis' van het loonbegrip. De vergoeding is geen voordeel in opdracht of voor rekening van de werkgever en heeft onvoldoende causaal verband met de dienstbetrekking; het behoort tot de persoonlijke sfeer van de werknemer. Een vergoeding voor de werkelijke laadkosten van de auto van de zaak valt buiten de loonsfeer als intermediaire kosten, waarbij de ERE-certificaten de integrale kostprijs per kWh drukken. Afspraken over doorlevering van energie onder zakelijke voorwaarden kunnen de vergoeding buiten beschouwing laten. Hiervoor is immers de prijs op de energiemarkt op het moment van het maken van de afspraken tussen partijen bepalend. Loon van derden Ook is er geen sprake van loon van derden. Hiervoor is vereist dat het voordeel een beloning is voor werkzaamheden die de werknemer in zijn hoedanigheid van werknemer heeft verricht. Het opladen van de auto van de zaak wordt niet gezien als een werkzaamheid in dienstbetrekking, maar als een handeling van de werknemer als particuliere gebruiker van het stroomnet. Lees meer
Black box bedrijfsauto is geen prikklok Een muskusrattenvanger, sinds 1994 in dienst, staat onder toezicht vanwege lage productie en veel administratietijd. Wanneer signalen binnenkomen dat zijn dienstauto tijdens werktijd vaak bij zijn woning staat, start de werkgever een onderzoek. Black box-gegevens van de auto worden over ruim een half jaar vergeleken met de urenregistratie. Dit toont een verschil van 94 uur en 11 minuten. De werkgever concludeert 'dagdieverij' en ontslaat de werknemer op staande voet wegens urenfraude. Op staande voet Het hof rekent op meerdere punten af met de aanpak van de werkgever. Het ontslag is niet 'onverwijld' gegeven, omdat de werkgever maandenlang heeft getreuzeld met het uitlezen van de black box-gegevens. De black box is bovendien een verkeerd instrument. Het instrument is bedoeld voor controle van autogebruik, niet als digitale prikklok. De werkgever had de werknemer eerst moeten bevragen. Veel verwijten in de ontslagbrief betreffen disfunctioneren, waarvoor een verbetertraject passender is. Ook is geen bewuste fraude aangetoond. Het urenverschil alleen is onvoldoende, mede gezien persoonlijke en medische omstandigheden en moeite met de digitale registratie. Fraude? Ook het subsidiaire verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst strandt. Fraude is onvoldoende vastgesteld. Een gestelde verstoorde arbeidsverhouding met een oud-teamleider is achterhaald. De oud-teamleider is inmiddels met pensioen. Het hof ziet vooral een onvoldragen d-grond (disfunctioneren) en merkt op dat de werknemer, na een verbetertraject, weer naar behoren functioneert. Hij heeft het plezier in zijn werk teruggevonden en realiseert zich dat hij dit tot zijn pensioen wil blijven doen. Lees meer
Gunstiger boetebeleid geldt ook voor oude jaren Een vrouw doet over 2011 geen aangifte inkomstenbelasting. De inspecteur legt in 2015 een verzuimboete van € 984 op, 20% van het wettelijke maximum. Het boetebeleid schrijft sinds 2014 weliswaar nog maar 7% voor, maar het overgangsrecht verklaart die regel pas van toepassing vanaf belastingjaar 2014. De Hoge Raad zet dat overgangsrecht opzij wegens strijd met het legaliteitsbeginsel. De boete gaat naar € 344. Aangifte blijft uit De inspecteur nodigt de vrouw uit om aangifte te doen, herinnert haar en maant haar aan. De uiterste termijn voor de aangifte inkomstenbelasting wordt door de inspecteur op 7 mei 2014 gesteld. De aangifte blijft echter uit. Op 10 januari 2015 legt de inspecteur ambtshalve een aanslag op, met een verzuimboete. Omdat het om een tweede achtereenvolgend verzuim gaat, legt hij, overeenkomstig het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) van 2011, een boete op van 20% van het wettelijke maximum (van destijds € 4.920). Twintig of zeven procent? De vrouw wijst erop dat de maximale boete slechts 7% van € 4.920 (€ 344) mag bedragen. In het BBBB van 2014 is immers de regel vervallen op grond waarvan bij een tweede achtereenvolgende verzuim een verzuimboete wordt opgelegd van 20% van het maximum. De Hoge Raad overweegt dat het legaliteitsbeginsel en het beginsel van de gunstigste bepaling (volgens Europese verdragen) meebrengen dat de boete niet hoger mag zijn dan wat ten tijde van het beboetbare feit mogelijk was, of wat later gunstiger is geworden. Het overgangsrecht dat de nieuwe regeling pas vanaf belastingjaar 2014 van toepassing verklaart, moet buiten toepassing blijven wegens strijd met deze verdragsbepalingen. Maximum van 2014 telt Ook de verhoging van het wettelijke maximum per 1 januari 2015 naar € 5.278 blijft buiten toepassing, omdat het beboetbare feit daarvóór ligt en het gunstigste bedrag telt. De Hoge Raad vermindert de boete tot € 344 en matigt niet verder, vanwege de financiële omstandigheden van de belastingplichtige. Het hof achtte een boete van € 492 immers al proportioneel. Lees meer
Zonder aangekruist verzoek geen doorschuiving van de verkrijgingsprijs Een dga overlijdt in 2018 en zijn weduwe verkrijgt alle aandelen in zijn bv. In de aangifte van de erflater staat geen vervreemdingsvoordeel. Volgens de weduwe ligt daarin een impliciet verzoek om doorschuiving besloten. Zij claimt in 2020 een verlies van ruim € 260.000. De inspecteur gaat uit van het gestorte aandelenkapitaal en komt uit op een verlies van € 5.000. De rechtbank geeft de inspecteur gelijk. Sinds 2015 staat het verzoek als aan te kruisen vakje op het aangiftebiljet en de bv drijft geen onderneming. Verlies van twee ton In haar aangifte over 2020 vermeldt de weduwe een negatief vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang van ruim € 260.000. Zij rekent met een overdrachtsprijs van bijna € 13.000 en een verkrijgingsprijs van ruim € 270.000, bestaande uit agio en aandelenkapitaal. De inspecteur wijkt daarvan af en stelt de verkrijgingsprijs vast op het gestort en geplaatst aandelenkapitaal per 1 januari 2018 van ruim € 18.000. De inspecteur komt zo uit op een verlies van € 5.000. Sinds 2015 een vakje De doorschuifregeling vergt een schriftelijk verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden. Dat verzoek kan ook impliciet worden gedaan, zo volgt uit een arrest van de Hoge Raad uit 2006. De weduwe wijst op een uitspraak waarin het hof zo'n impliciet verzoek aanneemt. De rechtbank ziet een beslissend verschil: die zaak betreft een aangifte over 2011, toen het biljet nog geen vakje voor doorschuiving kende. Sinds 2015 bestaat dat vakje wel en in de aangifte over 2018 is het leeg gebleven. Wie het verzoek kan en moet doen maar dat nalaat, voldoet niet aan de voorwaarde. Lees meer
Geen arbeidskorting meer over bepaalde uitkeringen Vanaf 1 januari 2027 wijzigen de regels voor het samenvoegen van loon en socialezekerheidsuitkeringen bij de loonheffingen. Deze aanpassing heeft financiële gevolgen voor werknemers die een socialezekerheidsuitkering via hun werkgever ontvangen. Aanpassing samenvoegbepaling De wijziging houdt in dat, ondanks het samenvoegen van loon uit vroegere dienstbetrekking (socialezekerheidsuitkeringen) en loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, de arbeidskorting niet langer van toepassing is op het uitkeringsdeel. Dit volgt op een oordeel van de Hoge Raad over ongelijke behandeling. Het gaat om de volgende uitkeringen in combinatie met loon uit werk of een aanvulling op een uitkering: WAO-uitkering WAZ-uitkering Wajong-uitkering IVA- en WGA-uitkeringen (WIA-uitkeringen) Ziektewetuitkering, behalve als die voortkomt uit het huidige dienstverband Wamil-uitkering (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen) BNO-uitkering (buitengewone natuurlijke omstandigheden) WTV-uitkering (werktijdverkorting) Toeslag op grond van de Toeslagenwet Rekenvoorbeeld Een werknemer (45 jaar) is in dienst en ontvangt maandelijks een WGA-uitkering van € 2.000 via de werkgever (loon uit vroegere dienstbetrekking). Daarnaast betaalt de werkgever € 750 resterend loon en een aanvulling van € 250 op de uitkering, samen € 1.000 (loon uit tegenwoordige dienstbetrekking). Het totale loon bedraagt € 3.000. Loonheffingskorting wordt toegepast. Gevolgen voor de inhouding In 2026 past de werkgever de witte maandtabel toe op het totale bedrag van € 3.000. De inhouding bedraagt € 386,83, waarbij € 458,17 aan arbeidskorting is verrekend. Netto ontvangt de werknemer € 2.613,17. Vanaf 2027 wijzigt de berekening. Eerst wordt de inhouding op het totale bedrag van € 3.000 bepaald met de groene maandtabel (€ 845,00). Vervolgens wordt de verrekende arbeidskorting op het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking (€ 1.000) met de witte maandtabel vastgesteld (€ 83,67). De uiteindelijke inhouding is dan € 845,00 minus € 83,67, wat neerkomt op € 761,33. Netto ontvangt de werknemer € 2.238,67. Financiële impact Voor de werknemer uit het voorbeeld betekent dit een netto achteruitgang van € 374,50 per maand. Dit komt neer op ongeveer 18% van het uitkeringsbedrag. Dit nadeel kan oplopen tot maximaal 31% van het bedrag van de bruto-uitkering dat in het totale loon zit. Werkgevers wordt geadviseerd hun werknemers tijdig te informeren over deze aanpassing, zodat zij zich hierop kunnen voorbereiden. Lees meer
Bijbetalen voor duty-free sigaretten Een man komt vanuit India aan op Schiphol en wordt gecontroleerd door de Douane. Bij de controle ontdekt de Douane dat hij 1.200 sigaretten bij zich heeft. Voor 200 sigaretten krijgt hij een vrijstelling, maar voor de overige 1.000 sigaretten legt de Douane hem een uitnodiging tot betaling (utb) op van € 529,23, bestaande uit douanerecht, accijns en omzetbelasting. Door een computerstoring is deze aanslag handmatig uitgeschreven. Later ontvangt de man een digitale versie met alle details. Hij betaalt het bedrag direct, maar dient bezwaar in. De man legt tijdens het bezwaar uit dat de sigaretten niet allemaal voor hem waren en dat hij niet wist dat hij aangifte moest doen. Hij stelt dat hij al in de bagagehal werd gecontroleerd, nog voordat hij de kans kreeg om door het rode kanaal te gaan. De Douane handhaaft echter de aanslag, omdat de man de sigaretten niet had aangegeven in het groene kanaal (niets aan te geven). De man gaat vervolgens in beroep. Hij stelt dat de handgeschreven aanslag niet correct is opgesteld, dat hij niet vrijwillig voor het groene kanaal heeft gekozen en dat hij recht heeft op een vrijstelling voor de sigaretten van een vriend. De rechtbank beslist dat het niet uitmaakt of hij vrijwillig door het groene kanaal ging of in de bagagehal werd gecontroleerd. De man had alsnog aangifte moeten doen. Ook wijst de rechtbank het vrijstellingsverzoek voor de sigaretten van zijn vriend af, omdat ze niet samen door de Douane gingen. Lees meer
Geen heffingsvrij vermogen bij werkelijk rendement Een man en vrouw hebben in 2023 uitsluitend bank- en spaartegoeden van in totaal € 229.802. Op deze tegoeden ontvangen zij gedurende het jaar € 1.575 aan rente. De Belastingdienst stelt het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) vast op € 1.065. De man vindt dat dit bedrag lager moet uitvallen en beroept zich daarbij op het zogenoemde Kerstarrest van de Hoge Raad. Heffingsvrij vermogen De man stelt dat bij de berekening van het werkelijke rendement rekening moet worden gehouden met het heffingsvrij vermogen. Volgens zijn berekening mag daarom slechts een deel van de ontvangen rente worden meegenomen. Hij komt uit op een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 793 in plaats van € 1.065. Forfaitair rendement De rechtbank volgt dit standpunt niet. Volgens de rechtbank maakt de Hoge Raad in zijn arrest van 6 juni 2024 duidelijk dat bij de vaststelling van het werkelijke rendement moet worden uitgegaan van het volledige behaalde rendement op het vermogen. Daarbij vindt geen vermindering plaats wegens het heffingsvrije vermogen. Dat betekent dat in deze zaak het volledige bedrag van € 1.575 aan ontvangen rente geldt als werkelijk rendement. Omdat het forfaitaire rendement lager uitvalt dan het daadwerkelijk behaalde rendement, is geen sprake van een situatie waarin de belastingplichtige zwaarder wordt belast dan zijn werkelijke opbrengst. Lees meer
Lek dak verhindert aftrek Een ondernemer claimt aftrek van voorbelasting. Een deel van zijn administratie is echter verloren gegaan door lekkage, waardoor hij de geclaimde voorbelasting niet kan onderbouwen. Het verlies van de administratie door lekkage komt volgens de rechter voor rekening en risico van de ondernemer. Het gevolg is dat de ondernemer niet concreet kan maken welke bedragen op welke facturen of kassabonnen betrekking hebben op belaste prestaties. Op basis van de grootboekkaarten heeft de inspecteur toch een deel van de aftrek voorbelasting toegestaan, waarbij hij volgens de rechter coulant is geweest. Na regen komt zonneschijn? Ten aanzien van de voorbelasting op de zonnepanelen heeft de ondernemer verklaard dat deze worden gebruikt voor de verhuur van appartementen. Dit is een onbelaste prestatie. De ondernemer heeft ook niets aangevoerd over eventuele teruglevering van energie aan het energiebedrijf en de vergoedingen daarvoor. De aftrek van voorbelasting op de zonnepanelen is daarom terecht geweigerd. Lees meer
Meer tijd om toeslagen over 2025 aan te vragen De aanvraagtermijn voor huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget over 2025 is met vier maanden verlengd. De aanvraagtermijn voor deze toeslagen loopt nu tot en met 31 december 2026. Voorheen was het mogelijk deze toeslagen aan te vragen tot en met 1 september van het daaropvolgende jaar. Nu hebben mensen na afloop van een kalenderjaar nog een volledig jaar de tijd om te checken of zij recht hebben op toeslagen en deze alsnog aan te vragen. Deze verruiming maakt het ook gemakkelijker om een aanvraag te doen op basis van de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2025. Veel mensen ontvangen deze aanslag in de zomer. Voor ondernemers met uitstel voor het doen van belastingaangifte geldt een uitzondering. Zij kunnen toeslagen aanvragen tot de datum waarop hun uitstel afloopt. Kinderopvangtoeslag Voor kinderopvangtoeslag gelden andere aanvraagtermijnen. Deze toeslag kan maximaal drie maanden met terugwerkende kracht worden aangevraagd. Lees meer
Creatief argument tegen box 3 strandt Een belastingplichtige betoogt dat de box 3-heffing ongeldig is, omdat de wet geen expliciet genietingsmoment bevat. Hij betoogt dat zonder wettelijke bepaling die vastlegt wanneer het inkomen wordt genoten, het niet kan worden belast. De rechtbank verwerpt dit argument. Het genietingsmoment zit besloten in de peildatum van 1 januari. Een afzonderlijke bepaling is niet nodig. Fors vermogen in onroerend goed De man doet aangifte inkomstenbelasting 2021 met een box 3-inkomen van ruim dertigduizend euro. Zijn bezittingen bestaan voornamelijk uit onroerende zaken ter waarde van bijna 3,4 miljoen euro, aangevuld met bank- en spaartegoeden en een aandelenportefeuille. Na aftrek van schulden resteert een rendementsgrondslag van ruim negenhonderdduizend euro. De aanslag wordt conform de aangifte opgelegd. Toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 leidt niet tot een lager voordeel. Ontbrekend genietingsmoment? De man gaat in beroep met een opmerkelijk argument. Voor box 1-inkomen bepaalt de wet expliciet wanneer dat inkomen wordt genoten. Voor box 3 ontbreekt zo'n bepaling. De man betoogt dat zonder wettelijk vastgelegd genietingsmoment de heffingsgrondslag onduidelijk is en het inkomen niet kan worden belast. Hij beroept zich op het Europese eigendomsrecht, het EU-Handvest en diverse rechtsbeginselen zoals het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Peildatum is het genietingsmoment De rechtbank maakt korte metten met dit betoog. Uit de wet volgt dat inkomstenbelasting wordt geheven over het in een kalenderjaar genoten inkomen uit sparen en beleggen. Dat inkomen wordt forfaitair bepaald naar de grondslag per 1 januari van het kalenderjaar. De heffingsgrondslag is daarmee duidelijk. Een afzonderlijke bepaling voor het genietingsmoment is niet nodig. De rechtbank vindt steun in het Kerstarrest, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het forfaitaire stelsel ertoe strekt belasting te heffen over door de belastingplichtige genoten inkomen. De Hoge Raad achtte een afzonderlijk genietingsmoment niet vereist. Handvest niet van toepassing Het beroep op het EU-Handvest faalt eveneens, maar om een andere reden. De Wet IB 2001 beoogt geen Unierecht uit te voeren. Daardoor is het Handvest in deze zaak niet van toepassing en kan de man er geen beroep op doen. Lees meer
Lening omkatten naar vergoeding redt aftrek niet Een bv drijft een uitzendbureau en een klussenbedrijf. De enige aandeelhouder is een vrouw, die samen met haar partner bestuurder is. De bv heeft twee vorderingen die zij in 2020 wil afwaarderen. De eerste vordering van ruim € 74.000 betreft de zoon van de partner. Hij heeft met geld van de bv gegokt op internet. De tweede vordering van € 97.000 betreft de partner zelf, aan wie de bv een lening heeft verstrekt zonder zekerheden. Beide schuldenaren ondertekenen eind 2020 een brief waarin zij verklaren slechts een fractie te kunnen terugbetalen. De bv boekt de vorderingen af als bijzondere lasten. De inspecteur weigert deze afwaardering, waarna de bv besluit de lening om te zetten in een vergoeding voor verrichte werkzaamheden. Geen reden voor afwaardering in 2020 De rechtbank oordeelt dat de bv niet aannemelijk heeft gemaakt dat er reden is om de vordering op de zoon juist in 2020 af te waarderen. De zoon is in loondienst bij de bv en had de vordering in termijnen kunnen terugbetalen. Sterker nog: in 2022 betaalt hij alsnog bijna € 50.000 terug. Waarom er in 2020 geen afbetalingsregeling is afgesproken, kan de bv niet uitleggen. Omzetting lening ongeloofwaardig Voor de vordering op de partner pakt de rechtbank zwaarder uit. De bv erkent in haar beroepschrift dat de lening is omgezet in een vergoeding voor werkzaamheden, uitsluitend omdat kwijtschelding fiscaal niet aftrekbaar zou zijn. De rechtbank acht die handelswijze ingegeven door de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder en haar relatie met de partner, niet door zakelijke motieven. De bv stelt dat de partner cruciale werkzaamheden verrichtte en het boekenonderzoek begeleidde. De rechtbank vindt dat volstrekt ongeloofwaardig. De reguliere beloning van de partner bedroeg in de jaren 2018 tot en met 2021 slechts € 8.000 tot € 14.000 per jaar. Waarom zou hij opeens recht hebben op een extra vergoeding van € 97.000? De aftrek is terecht geweigerd. Lees meer
Van verplicht naar vrijwillig: weg aftrek pensioenpremie Een werknemer was tot 2017 verplicht verzekerd in Luxemburg en bouwde daar pensioen op. Daarna wordt hij verplicht verzekerd in Nederland, maar hij zet de Luxemburgse pensioenregeling vrijwillig voort. De premie die hij zelf betaalt, wil hij aftrekken als negatief loon of als lijfrentepremie. Het hof wijst beide af. De vrijwillige voortzetting is een privéaangelegenheid zonder voldoende verband met de dienstbetrekking. Van verplicht naar vrijwillig De werknemer heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Nederland. Hij werkt jarenlang voor een internationaal concern, waarbij achtereenvolgens een Nederlandse en een Luxemburgse vennootschap als werkgever optreden. Tot 1 september 2017 is hij verplicht sociaal verzekerd in Luxemburg. In dat kader bouwt hij pensioen op bij het Luxemburgse pensioenfonds CNAP. De werkgever betaalt de helft van de premies, de andere helft wordt ingehouden op het loon van de werknemer. Per 1 september 2017 verschuift de verzekeringsplicht naar Nederland en eindigt de verplichte deelname aan CNAP. Werkgever biedt vergoeding aan De werkgever informeert de werknemer dat hij de Luxemburgse pensioenopbouw vrijwillig kan voortzetten. De werkgever is bereid de helft van de premie te vergoeden, tot maximaal acht procent van het brutoloon. De werknemer maakt gebruik van die mogelijkheid. Hij sluit zelf een overeenkomst met de Luxemburgse pensioeninstantie en betaalt de premie vanaf zijn privébankrekening. De werkgever vergoedt zijn deel via het loon, aangeduid als 'pension contribution'. Die vergoeding is belast als loon. In 2020 betaalt de werknemer in totaal bijna € 15.000 en ontvangt hij netto ruim € 7.000 van zijn werkgever. Het verschil wil hij aftrekken. Geen negatief loon De werknemer voert de eigen bijdrage op als negatief loon. Het hof verwerpt dat. De werknemer heeft zelf in privé de verzekering afgesloten bij CCSS. De werkgever omschrijft het als een 'exclusive agreement between the employee and the Luxembourgish Pension institution'. Anders dan voorheen bij CNAP is de werkgever geen partij bij deze overeenkomst. De premie die de werknemer betaalt, houdt daardoor onvoldoende verband met zijn dienstbetrekking om als negatief loon te kunnen worden aangemerkt. Dat de regeling in het verlengde ligt van de vroegere verplichte verzekering, maakt dit niet anders. Geen lijfrentepremie De werknemer betoogt vervolgens dat de premie aftrekbaar is als uitgave voor inkomensvoorziening. Ook dat faalt. Op de werknemer rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de betalingen kwalificeren als lijfrentepremie en dienen ter compensatie van een pensioentekort. Aan die bewijslast heeft hij niet voldaan. De stelling dat sprake is van strijd met het Europese discriminatieverbod, omdat sommige buitenlandse verzekeraars wel zijn toegelaten, behoeft geen behandeling. Eerst moet immers vaststaan dat het om een lijfrentepremie gaat en dat is niet aannemelijk gemaakt. Lees meer
Koopovereenkomst nieuwe woning geen box 3-schuld Een vrouw verkoopt haar woning. In hetzelfde jaar sluit zij een voorlopige koopovereenkomst voor een nieuwe woning. Deze wordt het jaar erna, in januari, geleverd. De vrouw maakt de koopsom in januari in drie delen over naar de derdengeldrekening van de notaris. In haar aangifte inkomstenbelasting geeft de vrouw bank-, giro- en spaartegoeden op. Later stelt zij dat zij ten onrechte geen box 3-schuld heeft opgenomen voor de aankoop van de nieuwe woning. Box 3-schuld? De rechtbank oordeelt dat de opbrengst van de woning tot de rendementsgrondslag in box 3 behoort. De rechtbank vindt dat de vrouw het geld op haar bankrekening niet mag verrekenen met een even grote schuld voor de aankoop van de nieuwe woning. Volgens de rechtbank ontstaat door de koopovereenkomst niet alleen een betalingsverplichting, maar ook een recht op levering van de woning. Deze twee onderdelen horen onlosmakelijk bij elkaar. De verplichting om de koopsom te betalen kan daarom niet afzonderlijk als schuld in box 3 worden aangemerkt. Lees meer
Navordering deels vernietigd na te late aanslag De bevoegdheid om een navorderingsaanslag op te leggen vervalt vijf jaar na het ontstaan van de belastingschuld. Bij uitstel voor het doen van aangifte wordt deze termijn verlengd met het verleende uitstel. De inspecteur stelt dat hij een navorderingsaanslag voor 2011 tijdig heeft opgelegd, vanwege dertien maanden uitstel via de Becon-regeling. De inspecteur kan echter geen stukken tonen die dit uitstel onderbouwen. Een collega bevestigt bovendien dat het systeem geen Becon-uitstel voor 2011 registreert. De rechtbank oordeelt daarom dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat kenbaar uitstel is verleend. De navorderingsaanslag voor 2011 is daarom buiten de navorderingstermijn van vijf jaar opgelegd en wordt vernietigd. Wel navordering over 2012 en 2013 Een man exploiteert in maatschapsverband een motortankschip. De man is de kapitein en de andere maat verzorgt de administratie. Het schip vervoert plantaardige oliën, waarbij 'slops' ontstaan met een waardevolle oliecomponent. In 2011 start een strafrechtelijk onderzoek, 'Flip' genaamd, naar de verduistering van plantaardige olie door schippers, aangeboden als slops aan een vethandel. De man is tot zijn overlijden verdachte in dit onderzoek. Contante betalingen De Belastingdienst onderzoekt de administratie van de vethandel en stelt vast dat de vethandel inkoopfacturen op naam van het schip opmaakt voor contante betalingen aan de schippers voor geleverde slops. De jaarrekeningen van de maatschap vermelden geen opbrengsten uit slops. De inspecteur stelt dat de man de contante betalingen niet heeft opgenomen in zijn aangiften. De man reageert dat hij geen administratie heeft, omdat de andere maat die voerde. De maat verklaart dat de man buiten het zicht van de maatschap om ontvangsten had en dat er geen inkomsten uit slops op de bankrekening van de maatschap zijn ontvangen. Administratie De erven van de man stellen dat hij de contante betalingen nooit heeft ontvangen en dat de administratie van de vethandel geen overtuigend bewijs levert. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de man de contante betalingen heeft ontvangen. De inspecteur heeft gegevens uit de administratie van de vethandel overgelegd, waaronder inkoopfacturen, begeleidingsbrieven en weegbrugstempels, die met elkaar overeenkomen en de beschreven werkwijze bevestigen. Ook kalenders en kladkasboeken van de vethandel ondersteunen de facturenstroom. De rechtbank acht het verder van belang dat de maatschap geen ontvangsten voor slops heeft verantwoord in de jaarrekeningen en dat de partner die de administratie voerde dit heeft bevestigd. De stellingen van de erven zijn niet onderbouwd met bewijs. De navorderingsaanslagen zijn terecht opgelegd en niet te hoog. Lees meer
Belastingdienst mag wereldwijd informatie opvragen De bevoegdheid van de inspecteur om rechtstreeks informatie op te vragen is niet territoriaal begrensd, zo bevestigt de Hoge Raad. Ook brengt de Tax Information Exchange Agreement (TIEA) met Jersey niet mee dat de inspecteur eerst informatie bij de autoriteiten van Jersey moet opvragen. Het gebruik van de TIEA wordt gezien als een aanvullende mogelijkheid, maar is niet verplicht als alternatief of vervanging voor het rechtstreeks benaderen van personen. Dit is alleen anders als het handelen van de inspecteur in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Tot deze conclusie komt de Hoge Raad in een zaak van een vrouw en haar gezin, die in 2013 van Nederland naar Jersey zijn verhuisd. De Belastingdienst vermoedt dat zij over eerdere belastingjaren mogelijk onvolledige informatie hebben verstrekt. Als de vrouw niet volledig voldoet aan een informatieverzoek, legt de inspecteur informatiebeschikkingen op. Later vraagt de inspecteur via de TIEA met Jersey aanvullende informatie op over de vrouw, haar partner en hun gezamenlijke vennootschap. Dit leidt tot navorderingsaanslagen. De vrouw stelt dat de inspecteur in strijd heeft gehandeld met de TIEA en ten onrechte rechtstreeks informatie bij haar heeft opgevraagd. Zowel het gerechtshof als de Hoge Raad oordeelt dat dit niet het geval is. De inspecteur heeft rechtmatig gehandeld. De informatiebeschikkingen blijven in stand. Lees meer
Fictieve vervreemding aanmerkelijk belang bij overlijden Een vrouw overlijdt in 2020. De inspecteur legt een aanslag inkomstenbelasting op, waarbij hij een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 241.893 in aanmerking neemt. De erven van de vrouw stellen dat de vrouw geen aanmerkelijk belang had. Haar man is immers enig aandeelhouder van de holding-bv. De vrouw heeft haar enige aandeel in de holding op de dag van de oprichting overgedragen aan haar man. De wijziging van de huwelijkse voorwaarden naar een algehele gemeenschap van goederen brengt daar volgens de erven geen verandering in. Fictieve vervreemding De rechtbank oordeelt dat de aandelen in de holding op het moment van het overlijden van de vrouw in de huwelijksgemeenschap vallen. Hierdoor heeft de vrouw een aanmerkelijk belang in de holding. De overgang onder algemene titel bij overlijden wordt als een fictieve vervreemding aangemerkt. Het vervreemdingsvoordeel bedraagt € 241.893. Doorschuiffaciliteit De erven stellen verder nog dat de doorschuiffaciliteit van toepassing is. De onderneming wordt door de man voortgezet. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Omdat de holding bv en haar dochteronderneming sinds 2015 geen activiteiten verrichten en geen omzet behalen, is er geen sprake van een materiële onderneming. Ook van een medegerechtigdheid is geen sprake. De doorschuiffaciliteit kan daarom niet worden toegepast. Lees meer
Handvol e-mails levert volledig gebruikelijk loon op Een dga stelt dat hij vanwege hartproblemen geen werkzaamheden voor zijn bv heeft verricht. Daarom zou de gebruikelijkloonregeling niet van toepassing zijn. Het hof denkt daar anders over. Uit brieven en e-mails blijkt dat de dga in het jaar in kwestie namens de bv bezwaarschriften indiende, verzoeken deed en correspondeerde met de Belastingdienst. Die administratieve werkzaamheden zijn voldoende om gebruikelijk loon in aanmerking te nemen. Schoonheidssalon via bv De echtgenote van de dga runt een schoonheidssalon. Na haar persoonlijke faillissement in 2016 richt de dga twee vennootschappen op om de salon met behoud van personeel voort te zetten. De echtgenote mag van de curator geen bestuurder worden, dus neemt de dga die rol op zich. Volgens de echtgenote heeft hij uitsluitend een adviserende en coachende rol en verricht hij geen daadwerkelijke arbeid. In januari 2019 wordt de dga opgenomen in het ziekenhuis met hartproblemen en een longontsteking. Zijn huisarts verklaart dat het boezemfibrilleren wordt uitgelokt door stress en dat de dga zijn leefstijl moet aanpassen. Aangifte zonder loon De dga doet aangifte inkomstenbelasting 2019 naar een negatief inkomen van € 2.544. De inspecteur corrigeert de aangifte met een gebruikelijk loon van € 26.470, gelijk aan het loon van de meestverdienende werknemer: de echtgenote. Na bezwaar wordt het belastbaar inkomen vastgesteld op € 23.220. De dga gaat in beroep en stelt dat hij vanwege zijn gezondheid geen werkzaamheden heeft verricht. De werkzaamheden die hij wel deed, waren volgens hem puur arbeidstherapeutisch. Eigen correspondentie als bewijs Uit het dossier blijkt dat de dga in 2019 als contactpersoon stond vermeld in de maandelijkse aangiften loonheffing. In maart 2019 verzocht hij namens de holding om een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, stuurde hij informatie toe voor een hoorgesprek en bevestigde hij telefonisch gemaakte afspraken per e-mail. In april 2019 diende hij namens de bv bezwaar in tegen een aanslag vennootschapsbelasting en in november en december correspondeerde hij uitgebreid met de inspecteur over dat bezwaar. Verklaringen onvoldoende De verklaringen van de huisarts en de echtgenote veranderen dit niet. Deze verklaringen gaan over de gezondheid van de dga, maar nemen niet weg dat hij de administratieve werkzaamheden daadwerkelijk heeft uitgevoerd. De dga heeft niet bewezen dat een lager gebruikelijk loon op zijn plaats is. Uit de verklaringen kan niet worden afgeleid dat hij slechts tot arbeidstherapeutische werkzaamheden in staat was waarmee geen loon kan worden genoten. Het hoger beroep is ongegrond. Omvang niet getoetst Opvallend is dat het hof niet toetst of de omvang van de werkzaamheden het gebruikelijk loon rechtvaardigt. De systematiek van de wet is hard: zodra vaststaat dat de dga enige arbeid verricht, geldt het standaardbedrag. Wil de dga een lager loon? Dan moet hij bewijzen dat dit gebruikelijk is voor vergelijkbare arbeid. Door alleen medische verklaringen over te leggen in plaats van concrete gegevens over wat vergelijkbaar administratief werk waard is, laat de dga die kans liggen. De uitkomst roept wel vragen op. Een handvol brieven en e-mails levert een belastbaar loon op van ruim € 26.000. Lees meer
Wet excessief lenen doorstaat eerste toets Een dga leent ruim zeven ton van zijn eigen bv. Het bedrag boven de wettelijke drempel van € 700.000 wordt belast als fictief regulier voordeel. De dga vindt dit in strijd met het Europese eigendomsrecht en het discriminatieverbod. Waarom telt een zakelijke lening even zwaar als een onzakelijke lening? Rechtbank Den Haag verwerpt alle bezwaren. De wetgever mocht kiezen voor een eenvoudige regeling die alle leningen gelijk behandelt. Schuld groeit snel De dga houdt alle aandelen in een bv. Zijn rekening-courantschuld aan de vennootschap groeit van ruim € 5.000 in 2017 naar bijna € 600.000 eind 2022. In 2023 loopt de schuld verder op tot € 786.278. Per 1 januari 2023 is de Wet excessief lenen in werking getreden. Die wet bepaalt dat schulden aan de eigen bv boven de drempel van € 700.000 worden belast als fictief regulier voordeel in box 2. Het bovenmatige deel bedraagt € 86.278. Na verdeling met zijn fiscale partner wordt € 75.127 bij de dga belast tegen het aanmerkelijkbelangtarief. Beroep op grondrechten De dga stelt dat de heffing in strijd is met het Europese eigendomsrecht. Hij voert aan dat de wetgever ten onrechte geen onderscheid maakt tussen zakelijke en onzakelijke leningen. Een lening met zakelijke voorwaarden en zekerheden zou anders behandeld moeten worden dan een informele schuld zonder aflossingsschema. Daarnaast vindt de dga de heffing disproportioneel, omdat deze een radicale wijziging vormt die zonder overgangsrecht is ingevoerd. Tot slot beroept hij zich op het discriminatieverbod en stelt hij dat de heffing het draagkrachtbeginsel schendt. Beschikking over gelden is doorslaggevend De rechtbank verwerpt alle stellingen. De heffing heeft een wettelijke basis, dient een legitiem doel en respecteert de vereiste balans tussen individueel en algemeen belang. Het doel van de wet is om uitstel en afstel van belastingheffing door dga's tegen te gaan. Daarbij is doorslaggevend dat de dga op enig moment de beschikking heeft gehad over het geleende bedrag. Of de lening zakelijk of onzakelijk is, doet er niet toe. De wetgever heeft bewust gekozen voor een eenvoudige regeling waarin alle leningen, behalve de eigenwoningschuld, gelijk worden behandeld. Die keuze is niet onredelijk. Vijf jaar anticipatietijd De rechtbank oordeelt verder dat de heffing niet disproportioneel is. De wetgever heeft de maatregel al in september 2018 aangekondigd, zodat dga's ruim vijf jaar de tijd hadden om hun schuldpositie af te bouwen. Bovendien kan een dga die later aflost het eerder belaste bedrag verrekenen als een negatief regulier voordeel en is de drempel € 200.000 hoger vastgesteld dan oorspronkelijk beoogd. Bij deze dga speelt terugwerkende kracht bovendien niet. Zijn schuld steeg pas in 2023 boven de drempel. Het beroep is ongegrond. Lees meer