Nieuws, heet van de naald

De meest actuele fiscale, sociale, arbeidsrechtelijke, algemene onderwerpen en Nagtzaam nieuws.
Kort, gemakkelijk leesbaar en praktisch beschreven.

Nagtzaam Nieuws

Parkeerbelasting bij ophalen klein pakketje

Een man parkeert zijn auto op een parkeerplaats waar parkeerbelasting verschuldigd is. Hij betaalt deze echter niet, omdat zijn dochter alleen maar even een pakketje hoeft op te halen bij het nabijgelegen afhaalpunt. De man blijft ondertussen zelf in de auto zitten met de alarmlichten aan.

Laden en lossen

De man is het er niet mee eens dat hij hiervoor een naheffingsaanslag parkeerbelasting krijgt. Volgens hem is er geen sprake van parkeren, maar van laden en lossen. Ter onderbouwing toont hij een kassabon met hetzelfde tijdstip als de naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar vindt de naheffingsaanslag terecht opgelegd, omdat sprake was van parkeren.

Definitie van parkeren

Volgens de wet is parkeren het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten stilstaan van een voertuig, anders dan de tijd die nodig is voor het onmiddellijk in- en uitstappen van personen of het onmiddellijk laden en lossen van zaken. Van onmiddellijk laden en lossen is alleen sprake bij het daadwerkelijk plaatsen van goederen in of het nemen van goederen uit het voertuig. Als een voertuig stilstaat gedurende de tijd dat iemand bezig is met het ophalen of afleveren van zaken, is geen sprake van onmiddellijk laden en lossen, maar van parkeren, ongeacht hoe lang of hoe kort het voertuig stilstaat.

Klein pakketje

Bij de beoordeling of sprake is van laden en lossen, is van belang of het stilstaan van een voertuig noodzakelijk is voor het onmiddellijk laden of lossen van zaken. Hierbij speelt de omvang of het gewicht van de zaken een rol. In dit geval ging het om een klein pakketje, een USB-adapter. Het ophalen van zo'n klein pakketje kwalificeert niet als laden en lossen. Het feit dat de man in de auto zat met de alarmlichten aan, verandert hier niets aan. Aangezien er geen parkeerbelasting is voldaan, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd en is het beroep van de man ongegrond.


Lees meer

Werkgever mag verplichte kantoordagen invoeren

Een werkgever wil zijn werknemers verplichten om minimaal 40% van hun werktijd op kantoor aanwezig te zijn. De ondernemingsraad (OR) stemt niet in met dit nieuwe beleid. De werkgever stapt daarop naar de rechter om vervangende toestemming te vragen voor de invoering van het beleid. De rechter vindt het niet onredelijk om medewerkers te verplichten om 40% van hun werktijd op kantoor te zijn.

Verplicht op kantoor

De werkgever hanteert tot 2020 een beleid waarbij werknemers volledig op kantoor werken. Door de coronamaatregelen in 2020 moeten werknemers noodgedwongen thuiswerken. Na de pandemie start de werkgever in februari 2022 een pilot voor hybride werken, waarbij werknemers worden aangemoedigd om een deel van hun werktijd op kantoor door te brengen. Sinds 1 juli 2023 geldt een beleid dat werknemers aanmoedigt om ten minste 40% van hun werktijd op kantoor te zijn. Uit metingen blijkt echter dat over een periode van een jaar (derde kwartaal 2024 tot en met derde kwartaal 2025) slechts 27% van de werknemers deze aanbeveling opvolgt. Dit is voor de werkgever aanleiding om het beleid aan te passen naar een verplichting.

Redelijke balans 

De werkgever stelt dat het verplichte beleid een redelijke balans biedt tussen kantoor- en thuiswerken. Het bevordert de bedrijfscultuur, onderlinge verbinding, opleiding en ontwikkeling, en effectieve samenwerking tussen teams. Omdat de vrijblijvende regeling niet werkt, is verplichte aanwezigheid een redelijk middel. De werkgever heeft het oorspronkelijke voorstel van 50-60% verplichte aanwezigheid al verlaagd naar 40% en een overgangsperiode van zes maanden ingesteld, inclusief een hardheidsclausule voor werknemers die in problemen komen. Ook wijst de werkgever op zijn beleidsvrijheid en instructierecht.

De OR vreest grote nadelen voor werknemers, zoals extra reistijd en -kosten, negatieve impact op zorgtaken en gezondheid. Een enquête onder werknemers toont aan dat 87,1% tevreden is met het huidige vrijblijvende beleid. Ook is de OR kritisch over de controle op aanwezigheid via netwerkgegevens, wat zij ziet als disproportioneel.

Redelijk belang 

De rechter oordeelt dat de werkgever een redelijk belang heeft bij de verplichting om werknemers ten minste 40% van hun werktijd op kantoor te laten komen. Het is aannemelijk dat fysiek contact op kantoor bijdraagt aan onderlinge verbinding, opleiding, ontwikkeling en effectieve samenwerking. Omdat aanmoediging tot nu toe niet heeft gewerkt, is verplichte aanwezigheid een redelijk middel. De rechter weegt mee dat de werkgever beleidsvrijheid heeft en dat werknemers redelijke aanwijzingen moeten opvolgen.

De rechter stelt vast dat de werkgever voldoende oog heeft gehad voor de nadelen voor individuele werknemers door aanpassingen te doen, zoals de verlaging van het percentage en de invoering van een overgangsperiode en een hardheidsclausule. Wel moet de werkgever zorgen voor voldoende werkplekken. De rechter concludeert dat de OR in redelijkheid zijn instemming niet kon weigeren. De werkgever krijgt daarom vervangende toestemming om de beleidswijziging door te voeren.


Lees meer

Hof stelt eisen aan navordering na klikbrief

Wie voor een bestelbus geen bijtelling aangeeft, moet dat standpunt goed kunnen onderbouwen. Dat ondervond een hovenier die na een anonieme klikbrief te maken kreeg met een boekenonderzoek. De inspecteur mocht zelfs navorderen over een jaar waarin hij de aangifte ten onrechte automatisch had laten afhandelen, omdat de ondernemer te kwader trouw was.

Bus met bijrijdersbank

Volgens de hovenier is zijn bus door aard en inrichting nagenoeg uitsluitend geschikt voor goederenvervoer. Hij wijst op de grootte, het gewicht en het vuil. Het hof is niet onder de indruk. Op een foto van Marktplaats staat gewoon een bijrijdersbank. De verklaringen over die bank spreken elkaar tegen. Eerst is hij verwijderd, dan teruggeplaatst voor de verkoop en ten slotte juist nodig voor een collega die trilplaten tilt. De bijtelling (van € 7.249) blijft staan.

Klikbrief als nieuw feit

Over 2016 is de zaak eenvoudig. De aanslag volgt in oktober 2017 de aangifte en de klikbrief komt pas in december 2018. Het boekenonderzoek leert dat de rittenadministratie pas op 11 juli 2016 begint. Dat is een nieuw feit. Over 2017 ligt het anders. De klikbrief ligt dan al vijf maanden op het bureau. Toch laat hij de aangifte automatisch afhandelen. Dat is een ambtelijk verzuim en daarmee ontbreekt het nieuwe feit voor navordering.

Kwade trouw

Bij kwade trouw mag de inspecteur ook zonder nieuw feit navorderen. Volgens zijn eigen rittenregistratie rijdt de hovenier in 2017 minstens 744 kilometer privé. Hij weet dus dat hij een bijtelling moet aangeven. In bezwaar schrapt de inspecteur de vergrijpboete over 2017. Volgens de hovenier vervalt daarmee ook de kwade trouw. Het hof ziet dat anders. Een geschrapte boete staat een beroep op kwade trouw niet in de weg. 


Lees meer

Gratis werken toch belast

Een vrachtwagenchauffeur werkt in 2019 en 2020 bijna gratis voor de bv van zijn zoon en dochter. Hij is persoonlijk failliet en alles wat hij verdient gaat naar de curator. Daarom wil hij geen inkomen op eigen naam. De inspecteur belast hem toch voor ruim € 64.000 per jaar en legt een boete op van € 6.828. Het hof geeft de inspecteur gelijk over het inkomen, maar schrapt de boete.

Rijden voor de kinderen

De vrachtwagenchauffeur en zijn vrouw gaan in oktober 2016 failliet. Twee maanden later richten hun kinderen een bv op. De bv heeft een paardenpension, een mesthandel en een transporttak. De vader rijdt als chauffeur voor andere transportbedrijven. Ook maakt hij de facturen op en sluit hij de contracten af. In twee jaar krijgt hij in totaal maar € 5.176 loon. De bv stuurt de rekening voor zijn ritten zelf naar de klanten. In 2019 levert dat € 64.659 op, in 2020 zelfs € 201.001.

Geen loon, wel inkomen

De inspecteur vindt eerst dat de omzet eigenlijk van de vader is. Dat wijst het hof af. Iedereen wil juist dat het geld naar de bv gaat en zo is het ook geregeld. Toch is het chauffeurswerk een bron van inkomen. Hij doet mee in het zakenleven en zijn werk levert normaal gesproken geld op. Een gewone baan is het niet, want niemand geeft hem opdrachten. Het hof belast zijn werk daarom als resultaat uit overige werkzaamheden. Daarbij geldt dezelfde regel als voor ondernemers: wie familie bewust te goedkoop helpt, wordt belast alsof hij een normale prijs vraagt.

Familie gaat voor

De vader wijst op een oud arrest van de Hoge Raad. Wie een ander uit persoonlijke motieven iets gunt, wordt daar meestal niet voor belast. Maar datzelfde arrest maakt een uitzondering voor bijzondere gevallen. Dit is zo'n geval, zegt het hof. Het geld komt rechtstreeks uit zijn werk en hij laat het aan de bv van zijn kinderen. Hij zegt zelf dat hij voor een ander niet gratis zou werken. Een normale beloning voor zijn rol is volgens het hof ten minste € 70.000 per jaar. De correctie van de inspecteur is volgens het hof dus niet te hoog.

Wel inkomen, geen boete

De boete gaat wel van tafel. Het hof is van mening dat er sprake is van een pleitbaar standpunt. De rechtspraak zegt weinig over wanneer zo'n uitzondering van toepassing is. De vader mag daarom redelijkerwijs denken dat hij alleen het geld hoeft op te geven dat hij echt ontvangt.


Lees meer

Liquidatie bv leidt tot navordering pensioen en stamrecht

Een dga liquideert in februari 2020 zijn bv, waarin een pensioenaanspraak in eigen beheer en een stamrecht aanwezig zijn. De bv heeft op dat moment een vordering van € 117.190 op de dga. In zijn aangifte 2020 vermeldt de dga geen inkomen uit stamrecht. De inspecteur stelt dat de dga het pensioen- en stamrecht heeft prijsgegeven. Omdat slechts € 117.190 daarvan voor verwezenlijking vatbaar is (door verrekening met de vordering), is alleen dat bedrag tot het inkomen gerekend. De inspecteur legt hiervoor een navorderingsaanslag op.

Nieuw feit

De dga stelt dat er geen sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en dat de inspecteur eerder onderzoek had moeten doen. Ook vindt hij dat de berekende waarde van het pensioenrecht niet reëel is, omdat er geen geld meer in de bv zit. De rechtbank oordeelt dat de liquidatie van de bv een nieuw feit vormt, omdat de inspecteur pas na de vpb-aangifte van de bv over de benodigde informatie beschikte. De dga heeft de vereiste aangifte niet gedaan, omdat hij de waarde van het stamrecht niet heeft aangegeven. Hij was door zijn adviseur gewaarschuwd dat hij niet van de bv af kon vanwege het stamrecht, maar heeft ervoor gekozen de bv desondanks te liquideren. Hierdoor wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. De inspecteur heeft de navorderingsaanslag op een redelijke schatting gebaseerd, welke de dga niet overtuigend heeft kunnen weerleggen.

Arbeidsongeschiktheid 

Onder bepaalde voorwaarden kan een aanspraak op lijfrente geheel of gedeeltelijk worden afgekocht, zonder dat revisierente verschuldigd is. Een van die voorwaarden is dat de belastingplichtige langdurig arbeidsongeschikt is. De dga betoogt dat er ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn arbeidsongeschiktheid, net zoals bij de afkoop van een lijfrente. De rechtbank volgt dit betoog niet. Er is hier geen sprake van 'afkoop', maar van 'prijsgeven'. De wettekst biedt geen ruimte voor de door de dga voorgestane ruime uitleg. Ook maakt hij niet aannemelijk dat de revisierente voor hem een buitensporige last vormt.


Lees meer

Rechter mag een te late machtiging negeren

Een adviesbureau dient op 22 juli 2024 hoger beroep in tegen een naheffing van de belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm). Het adviesbureau stuurt een machtiging mee die al ruim drie jaar oud is. Het hof vraagt een machtiging van hooguit drie maanden oud en geeft het bureau daarvoor tot 3 september 2024. De nieuwe machtiging komt pas op 6 september binnen, zonder uitleg. Volgens de Hoge Raad heeft het hof de zaak daarom terecht laten liggen. Ook het Europese recht verandert daar niets aan.

Te laat is te laat

Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het behandelt de zaak dus niet inhoudelijk. Het bureau gaat daartegen in verzet, een soort bezwaar bij hetzelfde hof. Dat verzet strandt, omdat het bureau geen reden geeft voor de vertraging. Bij de Hoge Raad gooit het bureau het over een Europese boeg. Iedereen heeft volgens het Handvest van de grondrechten van de EU recht op toegang tot de rechter. Het hof houdt volgens het bureau onnodig streng vast aan termijnen. Ook vraagt het bureau de Hoge Raad om vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie.

Wie zit aan tafel?

Alleen de belastingplichtige zelf mag tegen zijn aanslag procederen, maar hij mag zich wel laten vertegenwoordigen. Is die vertegenwoordiger geen advocaat, dan mag de rechter om een schriftelijke machtiging vragen. Een advocaat valt onder eigen beroepsregels en hoeft geen machtiging te overhandigen. De rechter mag daarbij om een recente machtiging vragen, zonder uit te leggen waarom. Komt die machtiging niet op tijd binnen, dan mag de rechter het beroep laten liggen. Voorwaarde is wel dat er een redelijke termijn is gegeven voor het herstellen van het gebrek en dat de vertraging niet te verontschuldigen is.

Europa helpt niet

Europa laat de procesregels grotendeels over aan de lidstaten. Die regels mogen alleen niet strenger zijn dan bij gewone Nederlandse zaken en mogen procederen niet praktisch onmogelijk maken. Volgens de Hoge Raad blijft de eis van een machtiging daarbinnen. Die eis zorgt ervoor dat alleen wie echt bevoegd is een zaak voert. Voor een professionele adviseur is een machtiging binnen een redelijke termijn bovendien goed te regelen. Vragen aan het Europese Hof zijn dus niet nodig.


Lees meer

Vordering op kind geen banktegoed voor box 3

Een vrouw geeft in haar aangifte een aanzienlijk bedrag aan bezittingen aan, waaronder hypothecaire geldleningen aan haar kinderen. De inspecteur merkt deze aan als overige bezittingen, wat leidt tot een geschil over de juiste kwalificatie.

Bezittingen en de aanslag

De vrouw geeft voor 2021 een totaal van € 1,5 miljoen aan bezittingen op. Dit omvat onder meer twee hypothecaire geldleningen aan haar kinderen met een rente van 2,5% per jaar. De inspecteur stelt de definitieve aanslag vast, waarbij de vorderingen als overige bezittingen zijn aangemerkt met een rendement van 5,69%. De vrouw stelt dat de vorderingen als banktegoeden moeten worden gezien, omdat zij kenmerken bezitten van spaartegoed. Zij wijst daarbij op het lage risico, de zekerheid via het gevestigde hypotheekrecht, het niet aanwezig zijn van een winststreven en de regelmatige rente-inkomsten. Voor banktegoeden geldt in 2021 een rendement van 0,01%.

Geen deposito

Het hof oordeelt echter dat de vorderingen niet voldoen aan de definitie van een 'deposito' volgens de Wet op het financieel toezicht, waarnaar de Wet rechtsherstel box 3 verwijst. Een vergelijking met VvE-reservefondsen, die voor 2021 ook als overige bezittingen golden, gaat niet op. Ook is er geen sprake van verboden discriminatie, omdat het risicoprofiel en de onderhandelingsruimte bij vorderingen wezenlijk afwijken van banktegoeden.

Werkelijk rendement onbekend

Nu de vorderingen niet als banktegoed worden aangemerkt, betoogt de vrouw dat nader rechtsherstel moet worden geboden. De heffing zou hoger zijn dan het werkelijke rendement. Het hof oordeelt dat de vrouw dit niet aannemelijk maakt, omdat zij geen inzicht verschaft in de waardeontwikkeling van haar beleggingsportefeuille. Daarom faalt ook dit standpunt.


Lees meer

Stichting verantwoordelijk voor loonbelasting van verpacht restaurant

Een stichting huurt een pand waarin een restaurant is gevestigd. Op papier is het restaurant verpacht aan verschillende vennootschappen, waaronder een Engelse onderneming en een Nederlandse bv. Volgens de stichting zijn deze pachters verantwoordelijk voor de exploitatie en het personeel. Daarom meent de stichting dat zij geen werkgever is en dus geen loonheffingen hoeft af te dragen. De Belastingdienst denkt daar anders over en legt naheffingsaanslagen op tegen het anoniementarief.

Naheffing

Het hof stelt vast dat de stichting zelf de inkomsten uit het restaurant ontvangt en ook de lonen van het personeel betaalt. Bovendien is niet gebleken dat met de pachters een daadwerkelijke financiële afrekening heeft plaatsgevonden. Daarom acht het hof aannemelijk dat het restaurant feitelijk voor rekening en risico van de stichting wordt geëxploiteerd. De stichting is daardoor inhoudingsplichtig voor de loonheffingen van het personeel. 

Anoniementarief 

Daarnaast oordeelt het hof dat het anoniementarief terecht is toegepast. De loonadministratie van de pachters kan niet aan de stichting worden toegerekend. De stichting heeft geen eigen loonadministratie bijgehouden, waarin de relevante gegevens van de werknemers zijn opgenomen. Daardoor is sprake van nettoloonbetalingen aan anonieme werknemers.


Lees meer

Grenzen aan herstel ambtelijk verzuim gebruikelijk loon via LB

Een broer en zijn zus bezitten in 2020 ieder de helft van de aandelen in een bv. De zus verricht werkzaamheden voor de bv via haar eenmanszaak. De broer is dga en verricht zijn werkzaamheden voor de bv deels in loondienst en deels via zijn eenmanszaak. Op 24 december 2022 legt de inspecteur aan de zus een navorderingsaanslag IB 2020 op, maar daarin neemt hij geen gebruikelijk loon op.

Gebruikelijk loon

De inspecteur stelt vervolgens boekenonderzoeken in bij de bv naar de loonheffingen (LB) over 2019 en 2020. Uit deze onderzoeken blijkt dat het gebruikelijk loon van zowel de zus als de broer niet correct is vastgesteld. Voor de zus concludeert de inspecteur dat haar gebruikelijk loon € 34.125 bedraagt. Voor de broer concludeert hij dat zijn loon moet worden verhoogd met € 23.333 naar € 46.000. De bv krijgt een correctieverplichting opgelegd. Omdat zij daar niet aan voldoet, legt de inspecteur op 23 februari 2023 een naheffingsaanslag LB op aan de bv.

Ambtelijk verzuim bij zus

In de zaak van de zus stelt het hof vast dat de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan door het gebruikelijk loon niet mee te nemen in de navorderingsaanslag IB 2020. Vanaf dat moment is de inspecteur niet langer bevoegd om over dit gebruikelijk loon na te vorderen bij de zus. De naheffingsaanslag LB die de inspecteur vervolgens aan de bv oplegt, vormt een poging om dit alsnog te corrigeren. Het hof oordeelt dat de wet voorkomt dat de Belastingdienst een ambtelijk verzuim in de IB, waardoor navordering niet meer mogelijk is, via een omweg kan herstellen door alsnog een naheffingsaanslag LB op te leggen aan de inhoudingsplichtige, de bv.

Correctie bij broer

In de zaak van de broer oordeelt het hof dat de inspecteur wél bevoegd is om een naheffingsaanslag voor het aanvullende gebruikelijk loon op te leggen. Volgens het hof leidt het feit dat het gebruikelijk loon niet is gecorrigeerd in de aanslag van de broer niet automatisch tot een ambtelijk verzuim. De inspecteur mag uitgaan van de juistheid van de aangifte, tenzij daarover redelijke twijfel bestaat. Daarvan is in dit geval geen sprake.


Lees meer

Cashbonus ipv aandelenrechten: mag een voorziening?

Vijf werknemers krijgen van de Franse moedervennootschap van hun werkgever voorwaardelijke rechten op aandelen. Zij ontvangen die aandelen alleen als zij na vier jaar nog in dienst zijn én aan bepaalde prestatiedoelen voldoen. Voordat de voorwaarden zijn vervuld, vindt een overname plaats. De nieuwe eigenaar doet de werknemers een voorstel: lever de voorwaardelijke aandelenrechten in en ontvang daarvoor een cashbonus. De cashbonus is niet gekoppeld aan de aanwezigheid in het bedrijf, prestaties of andere voorwaarden. Alle werknemers accepteren dit aanbod. Daardoor krijgen zij uiteindelijk geen aandelen, maar een bonus van in totaal ruim € 630.000, uit te betalen in 2016 en 2018. Achteraf blijkt dat bij geen van de vijf werknemers zou zijn voldaan aan de voorwaarden om de rechten op aandelen onvoorwaardelijk te doen worden.

Voorziening

De Nederlandse werkgever wil deze toekomstige kosten al in 2015 verwerken door een fiscale voorziening te vormen. De inspecteur wijst dit verzoek af. Volgens hem valt de regeling onder de wettelijke aftrekbeperking voor aandelen- en optieregelingen. Die bepaling voorkomt dat een onderneming de kosten van aan werknemers toegekende aandelen of optierechten van de winst aftrekt. Volgens de inspecteur maakt het daarbij niet uit dat de rechten nog onder voorwaarden zijn toegekend. 

Aftrekbeperking 

De Hoge Raad ziet dat anders. Volgens de Hoge Raad ontstaat pas een daadwerkelijk aandelen- of optierecht als aan de opschortende voorwaarden is voldaan. Zolang dat niet gebeurt, kunnen werknemers hun rechten niet afdwingen. In deze zaak worden de voorwaardelijke rechten al eerder ingeruild voor een cashbonus. De voorwaarden worden dus nooit vervuld. Daardoor ontstaat fiscaal gezien nooit een aandelen- of optierecht waarop de aftrekbeperking van toepassing is.

Cashbonus 

De cashbonus is daarom geen aandeelhouderslast die niet aftrekbaar is, maar een gewone ondernemingsuitgave. De werkgever mag hiervoor een voorziening vormen en die ten laste van de winst brengen.


Lees meer

Uitkeringen lijfrente terecht in box 1

Een man ontvangt uitkeringen uit meerdere lijfrenteverzekeringen. De inspecteur belast deze bedragen in box 1, wat leidt tot een geschil over de juiste fiscale behandeling. De man had een 'Hoogrentende Spaarpot Polis' en twee andere verzekeringen met een lijfrenteclausule. In 2019 ontvangt hij uitkeringen van € 49.119, € 21.968 en € 7.025. De inspecteur neemt deze bedragen op in box 1 van de inkomstenbelasting. De man is van mening dat de uitkeringen in box 3 belast moeten worden, omdat het beleggingsproducten betreft. Ook wil hij dat de saldomethode wordt toegepast, waardoor alleen het deel boven de betaalde premies wordt belast.

Box 1 en saldomethode

Het hof oordeelt dat de verzekeringen terecht in box 1 zijn belast. De 'Hoogrentende Spaarpot Polis' is een kapitaalverzekering met een lijfrenteclausule die onder het 'pre-Brede Herwaarderingsregime' valt. Volgens de wetgeving van vóór 2001, die nog steeds van toepassing is op deze oudere polis, wordt een afkoop van zo'n verzekering in box 1 belast. De man heeft de lijfrentetermijnen niet tijdig vastgesteld of omgezet in een kwalificerende lijfrente, waardoor de afkoopsom in box 1 valt. De twee andere verzekeringen zijn ook met een lijfrenteclausule afgesloten. 

Omkeerregel 

De heffing in box 1 over de uitkeringen is niet slechts een belastingnadeel. Het is een gevolg van de omkeerregel en het vormt een onderdeel van een heffingssysteem dat door de aanwezigheid van een daartegenoverstaand belastingvoordeel een zeker evenwicht vertoont. Dat voordeel bestaat in elk geval uit de belastingaftrek van de in eerdere jaren betaalde premies. Daar komt bij dat de waarde van de verzekeringen voorafgaand aan de afkoop niet tot belastingheffing in box 3 heeft geleid.

Saldomethode

De saldomethode houdt in dat alleen het deel van de uitkeringen, dat hoger is dan de betaalde premies, wordt belast. Deze methode kan echter niet worden toegepast als de premies in aftrek zijn gebracht of hadden kunnen worden gebracht. Voor de 'Hoogrentende Spaarpot Polis' toont de man niet aan dat hij de premies niet in aftrek heeft gebracht. Gezien het karakter van de verzekering is het waarschijnlijk dat dit wel is gebeurd. Voor de andere twee verzekeringen bevestigt de man zelf dat hij de premies in aftrek heeft gebracht.


Lees meer

Tariefmaatregel op doorbetaald pensioen is geen discriminatie

Een belastingplichtige en zijn echtgenote gaan in 1992 uit elkaar. Hij betaalt zijn ex in 2020 en 2021 elk jaar € 4.078 uit zijn ouderdomspensioen. Die betalingen zijn aftrekbaar, maar door de tariefmaatregel niet tegen het hoogste tarief. Wie vanaf 1 mei 1995 scheidt van zijn echtgenoot heeft daar in de regel geen last van, want dan betaalt het pensioenfonds rechtstreeks aan de ex-echtgenoot. Het hof ziet in dat verschil discriminatie en schrapt de extra heffing. De Hoge Raad oordeelt dat het om ongelijke gevallen gaat, zodat de hogere heffing blijft staan.

Verrekenen onder Boon/Van Loon

De Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS) is op 1 mei 1995 in werking getreden en geldt door het overgangsrecht niet voor eerdere scheidingen. Daarvoor gelden de regels uit het arrest Boon/Van Loon uit 1981. De belastingplichtige ontvangt het volledige pensioen zelf en verrekent een afgesproken deel met zijn ex-echtgenote. De inspecteur staat op die betalingen de aftrek voor onderhoudsverplichtingen toe. Tegelijk past hij de tariefmaatregel toe, waardoor het voordeel beperkt blijft tot het tarief van de tweede schijf.

Hof grijpt in

Onder de hoofdregel van de Wet VPS heeft de ex-echtgenoot een eigen recht op uitbetaling tegenover het pensioenfonds. Er is dan geen aftrekpost en dus ook geen tariefmaatregel. Het hof ziet daarin strijd met het discriminatieverbod. Beide regimes verdelen pensioenrechten tussen scheidende echtgenoten en berusten op de verzorgingsgedachte. Een rechtvaardiging voor het verschil ziet het hof niet. Het hof laat de tariefmaatregel buiten toepassing, waarna de staatssecretaris in cassatie gaat.

Geen gelijke gevallen

De Hoge Raad stelt voorop dat de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de vraag of gevallen gelijk zijn. Beslissend is het doel van de tariefmaatregel en dat richt zich op aftrekposten. Onder de Wet VPS heeft de pensioengerechtigde voor het verevende deel geen aftrekpost. Dat deel hoort niet tot zijn belastbare inkomen. Ook vanuit het stelsel van de wet zijn de gevallen dus niet gelijk.

Verzorging telt niet

Dat beide regimes de verzorging van de ex-echtgenoot vooropstellen, verandert dat niet. Het gaat hier om de aftrek bij degene die doorbetaalt, niet om de fiscale positie van de ontvanger. Ten overvloede oordeelt de Hoge Raad dat hetzelfde ook geldt voor wie na 1 mei 1995 gescheiden is, maar bij uitzondering niet verevent. De uitspraak van de rechtbank blijft staan. 


Lees meer

Loods bij de woning op kosten van de bv is een winstuitdeling

Een dga is indirect enig aandeelhouder van een bv die tot 2014 een tankstation en wasstraat exploiteert op zijn privéperceel. Daarna ligt die locatie stil door een conflict met de gemeente. Vanaf augustus 2015 verrijst bij zijn woning een loods zonder vergunning. De facturen voor beton, kozijnen, platen en bouwwerkzaamheden komen in de boekhouding van de bv terecht, geactiveerd op de balans. Tijdens een bedrijfsbezoek in juni 2019 vertelt de dga dat hij de loods ook privé gebruikt. Dat gesprek leidt tot een boekenonderzoek.

Twee verhalen

In beroep vertelt de dga iets anders. De loods is volgens hem alleen bedoeld om een nieuwe wasstraat voor de bv voor te bereiden. De loods is demontabel en kan naar de oude locatie worden verhuisd, zodra de gemeente meewerkt. Het hof gelooft de eerste verklaring, want de twee zijn niet met elkaar te rijmen. De loods dient alleen voor eigen gebruik. Een zakelijke grondslag ontbreekt. Beide partijen zijn zich van de bevoordeling bewust en de bv heeft voldoende reserves. Het hof ziet zelfs een patroon waarin de dga de bv voor persoonlijke doeleinden inzet.

Het hele bedrag

Volgens de dga gaan alleen de facturen van € 17.000 en € 8.000 over de loods. Het hof volgt dat niet. Alle facturen dateren uit dezelfde periode en foto's tonen dat er destijds geen ander bouwwerk was. De dga bespaart kosten die hij had moeten dragen, inclusief btw. Het voordeel is dus het volledige bedrag. Verrekening met de rekening-courant faalt, omdat de kosten op de balans staan.


Lees meer

Niet ingehouden loonheffing hoort ook niet bij het genoten loon

Een dga geeft over 2023 een loon van € 29.880 aan, met € 7.442 aan ingehouden loonheffing. Zijn bv draagt die loonheffing echter nooit af en de inspecteur verrekent daarom niets. De dga kan niet bewijzen dat de loonheffing wel is ingehouden. Toch krijgt hij deels gelijk, omdat de inspecteur niet kan aantonen dat de dga het bedrag op een andere manier heeft genoten. De rechtbank verlaagt het belastbaar inkomen daarom met € 7.442 naar € 22.438.

Loonheffing op papier

De dga is bestuurder en enig aandeelhouder van een bv. Na een aanmaning volgt zijn aangifte IB pas op 7 oktober 2024. De aanslag van 11 januari 2025 volgt de aangifte, maar de inspecteur zet de voorheffing op nul. De inspecteur wil de bewijslast omkeren. De rechtbank weigert dat. De aangifte was weliswaar te laat, maar ruim voordat de aanslag werd opgelegd. De inspecteur kan en moet er dan rekening mee houden. Daarom gelden de normale bewijsregels.

Inhouding

Inhouden betekent het administratief afzonderen van een deel van het brutoloon om het af te dragen. Afdracht is geen voorwaarde. Voor die afzondering heeft de dga alleen zijn eigen verklaring. De administratie van de bv is in beslag genomen. Volgens de rechtbank had hij met bankafschriften, loonstroken of back-ups van de externe loonadministrateur toch een begin van bewijs kunnen leveren. Ook een beroep op de schijn van inhouding strandt. Die leer ziet volgens de rechtbank vooral op werkgevers en werknemers die los van elkaar staan, en dat is hier niet het geval.

Niet genoten

Dan rest de vraag of de dga het bedrag toch heeft genoten. Normaal gebeurt dat door de inhouding zelf. Volgens een arrest van de Hoge Raad uit 2016 moet de inspecteur bewijzen dat het bedrag op een andere manier aan de werknemer ten goede is gekomen. De inspecteur stelt daar niets over. Het bedrag van de loonheffing hoort daarom niet tot het belastbaar inkomen. De dga heeft geen recht op verrekening, maar betaalt ook geen belasting over loon dat hij niet heeft genoten.

Te laat

In een nader stuk stelt de inspecteur dat het bedrag aan loonheffing ontbrekend gebruikelijk loon is. Om die reden dient het alsnog belast te worden. De rechtbank acht het beroep op interne compensatie in strijd met de goede procesorde. Het standpunt van de inspecteur is pas op de zitting duidelijk geworden.


Lees meer

Zelfstandigenwet biedt meer duidelijkheid voor zzp’ers

De Zelfstandigenwet, die naar verwachting in januari 2028 in werking treedt, heeft als doel om meer duidelijkheid te scheppen over de samenwerking tussen zelfstandigen en opdrachtgevers. De wet wil schijnzelfstandigheid tegengaan en zelfstandigen de erkenning geven die zij verdienen. Dit gebeurt door middel van twee toetsen: de zelfstandigentoets en de werkrelatietoets. Wie aan beide toetsen voldoet én in de praktijk zo werkt, weet vooraf dat hij of zij als zelfstandige kan werken. In de woorden van de wet heet dit ‘een veilige haven’. Wie niet aan beide toetsen voldoet, moet op basis van de huidige criteria bepalen of hij of zij als zelfstandige werkzaam is.

Zelfstandigentoets

De zelfstandigentoets richt zich op de ondernemer zelf en diens ondernemerschap in het economisch verkeer. Er zijn drie criteria:

  1. De werkende moet in de periode tot en met het vorige kalenderjaar minimaal drie opdrachtgevers hebben gehad.
  2. Er moet een minimumbedrag zijn besteed aan voorzieningen voor ondernemersrisico's, zoals een arbeidsongeschiktheidsverzekering of pensioenvoorziening. 
  3. De werkende moet de basisvoorwaarden op orde hebben, zoals een KVK-inschrijving, een zakelijke bankrekening, een btw-identificatienummer en zelf factureren. 

Werkrelatietoets

De werkrelatietoets beoordeelt de specifieke arbeidsrelatie en kijkt of er voldoende zelfstandig wordt gewerkt, zonder 'gezag'. De vier criteria zijn: 

  1. De wil van de partijen om niet in dienstverband te werken.
  2. De vrijheid om het werk zelf te organiseren.
  3. De vrijheid om de werktijden en werkplek te bepalen. Op dit criterium zijn uitzonderingen voor plaatsgebonden werk en voor tijdsgebonden werk.
  4. Het werken voor eigen rekening en risico.

Hierbij is de feitelijke uitvoering van de overeenkomst leidend, niet wat op papier is afgesproken. Aan alle criteria moet worden voldaan. Er is geen rangorde. 

Internetconsultatie

De Zelfstandigenwet is nu in internetconsultatie. Reageren op het conceptwetsvoorstel kan tot en met 29 oktober 2026 op www.internetconsultatie.nl.


Lees meer

Bedrijf met kleine winsten blijft een onderneming

Een man is vennoot in een vof die akkerbouw bedrijft. De inspecteur vindt het bedrijf te klein en rekent het aandeel tot het vermogen in box 3. Hij telt veertien jaar resultaten op en komt uit op een negatief totaal. Het hof wijst dat af, want de bron moet per jaar worden beoordeeld en niet over een reeks jaren. De vof houdt haar onderneming.

Van vee naar akkerbouw

Na het overlijden van hun vader zetten de drie kinderen in 2009 zijn bedrijf voort. Wel schakelen zij over van veeteelt op akkerbouw. Sinds 2019 verpacht de vof ruim twee hectare voor ongeveer € 3.335 per jaar en verkoopt zij gras voor € 2.750, plus € 960 voor kunstmest. Na het verliesjaar 2020 volgen winsten van € 924, € 1.511 en € 718.

Drie eisen, één geschilpunt

Van een bron van inkomen is pas sprake als iemand deelneemt aan het economische verkeer, voordeel beoogt en dat voordeel redelijkerwijs kan verwachten. De eerste twee staan niet ter discussie. Het gaat alleen om de derde eis: de objectieve voordeelsverwachting. Die vraagt niet om een lonend bedrijf, een minimale omvang of een bepaald rendement. Voldoende is dat redelijkerwijs voordeel valt te verwachten, hoe bescheiden ook. Winsten van een paar honderd euro zijn winsten.

De bewijslast keert

Sinds 2003 geeft de belastingplichtige het aandeel aan als winst uit onderneming. Tot 2019 volgt de inspecteur de aangiften. Wie daar na vijftien jaar op terugkomt, moet zelf aannemelijk maken dat de bron verdwenen is. Daarvoor telt de inspecteur zijn gecorrigeerde resultaten over veertien jaar op. De pachtopbrengsten laat de inspecteur weg: die komen van grond die de vof niet meer zelf bewerkt en die volgens het pottenbakkersarrest ondernemingsvermogen blijft, maar niets zegt over de activiteiten. Volgens de inspecteur eist de wet een positieve totaalwinst.

Optellen mag niet

Het hof gaat daar niet in mee. De eis van een positieve totaalwinst berust op een onjuiste lezing van de wet. De toets vindt in beginsel per jaar plaats. De gekozen periode is te lang en arbitrair en daarin wisselen negen positieve en vijf negatieve jaren elkaar af. De gras- en kunstmestvergoedingen tellen mee als omzet en ook zonder de pacht zijn de resultaten niet zo mager dat de voordeelsverwachting verdwijnt. Akkerbouw leidt naar haar aard al snel tot een onderneming en laat nu eenmaal wisselende resultaten zien. Een reeks magere jaren zegt dus weinig over het jaar dat op tafel ligt. Het areaal is niet te klein voor een levensvatbaar bedrijf.


Lees meer

Verzekeringsplicht bestuurders door ongelijk aandelenbezit

Een aantal radiologen zette in 2014 hun maatschap om in een vennootschap, waarin elke radioloog aandeelhouder, bestuurder en werknemer is. Het aandelenbezit volgt de omvang van het dienstverband, dat varieert van 0,55 tot 1 fte. Vooraf bevestigt de inspecteur schriftelijk dat de radiologen als directeur-grootaandeelhouder (dga) niet verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen, gezien het gelijke stemrecht en hun positie als statutair bestuurder. De brief bevat een voorbehoud: de toezegging vervalt bij relevante wijzigingen in regelgeving.

Stemrecht of kapitaal

Tot en met 2015 is een gelijk of nagenoeg gelijk aantal stemmen genoeg om onder de verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen uit te komen. Vanaf 2016 telt echter niet meer het stemrecht, maar het aandeel in het kapitaal. De Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2016 bepaalt dat de bestuurders samen alle aandelen moeten bezitten en een gelijk of nagenoeg gelijk deel van het kapitaal moeten vertegenwoordigen. Dat aandeel loopt bij de radiologen uiteen van 1,43 tot 2,60%. De inspecteur beslist dat de radiologen vanaf 1 januari 2016 verzekerd zijn en dat de vennootschap vanaf dan premies verschuldigd is. 

Economisch belang beslist

De vennootschap wil een materiële toets. De radiologen werken volgens haar nevengeschikt samen, net als maten, en het verschil in aandelen komt alleen voort uit hun aanstelling. Het hof geeft de inspecteur gelijk. De radiologen met het grootste belang hebben ruim 1,8 keer zoveel aandelen als die met het kleinste belang. Van een nagenoeg gelijk deel van het kapitaal is dan geen sprake. Dat de verdeling de arbeidsinzet van de radiologen volgt, doet er niet toe. Ook de nevengeschikte samenwerking maakt geen verschil. De regeling sluit, ook volgens de toelichting, uitdrukkelijk aan bij het economische belang dat uit het aandelenbezit blijkt.


Lees meer

Btw op verdedigingskosten bij corruptieonderzoek is aftrekbaar

Een internationale moedermaatschappij schakelt advocaten en adviseurs in wanneer autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en de Verenigde Staten onderzoek doen naar omkoping binnen het concern. De juridische kosten bedragen bijna € 300 miljoen, met ruim € 60 miljoen aan btw. De vennootschap trekt die btw pro rata af. De inspecteur weigert een deel van de aftrek en legt over 2016 tot en met 2019 naheffingsaanslagen op. De rechtbank vernietigt de naheffingen, omdat de kosten de economische activiteiten van de vennootschap veiligstellen.

Schikking van miljarden

De autoriteiten verdenken het concern van omkoping via tussenpersonen bij het binnenhalen van orders. In januari 2020 treft de vennootschap schikkingen om strafvervolging te voorkomen en betaalt zij omgerekend ongeveer € 3,6 miljard. De juridische kosten zien op bijstand bij de onderzoeken, het afwenden van vervolging en een beter compliance- en ethiekprogramma. De vennootschap belast kosten door aan de commerciële divisie van het concern. Dat de btw op de compliancekosten aftrekbaar is, staat niet ter discussie.

Verboden handelingen?

De inspecteur vindt de btw op de onderzoeks- en advocaatkosten niet aftrekbaar. Volgens hem hangen die kosten rechtstreeks samen met omkoping en corruptie, die in de Europese Unie verboden zijn. Hij beroept zich primair op de arresten Einberger en Happy Family van het HvJ. Subsidiair sluit hij de btw op bijstand aan werknemers uit via het BUA. De vennootschap stelt dat de doorbelasting een belaste dienst aan de commerciële divisie is, zodat alle btw aftrekbaar is. Verder ziet zij de kosten als algemene kosten.

Twee standpunten sneuvelen

De rechtbank legt de bewijslast voor de verboden handelingen bij de inspecteur en de inspecteur slaagt hier niet in. De schikkingen en het betaalde bedrag zijn onvoldoende. Zelfs met dat bewijs is de aftrek niet zonder meer uitgesloten, want de Europese arresten gaan over niet goed vergelijkbare situaties. Ook het standpunt van de vennootschap strandt. Een doorbelasting van kosten is op zichzelf geen belaste dienst. De overeenkomsten met de commerciële divisie zijn achteraf opgesteld en de vennootschap geeft de kosten zelf aan als algemene kosten.

Vervolging raakt de onderneming

Volgens de vennootschap moet de bijstand aan werknemers hen vrijuit laten praten, in het belang van het interne onderzoek en de schikkingen. De rechtbank vindt die verklaring geloofwaardig en ziet het persoonlijke voordeel van de werknemers als ondergeschikt, zodat het BUA buiten toepassing blijft. Een strafvervolging kan de exportkredieten, vergunningen en nieuwe orders van het concern raken en zelfs zijn voortbestaan. De kosten dienen dus de algemene economische activiteiten van de vennootschap.


Lees meer

Kabinet presenteert fiscale wijzigingen box 3, koopkracht en sociale zekerheid

Het kabinet heeft een aangepast begrotingsvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd. De voorstellen omvatten aanpassingen in box 3, box 2 en de sociale zekerheid.

Vermogenswinstbelasting

Het kabinet kiest voor een structurele oplossing in box 3 door over te stappen op een vermogenswinstbelasting, waarbij winst wordt belast bij uitkering in plaats van op papier. Dit moet het belastingstelsel beter laten aansluiten bij de economische werkelijkheid.

  • Vanaf 2027: Het heffingsvrije vermogen in box 3 wordt teruggebracht naar het niveau van 2020, namelijk € 30.846. Ook wordt het forfait voor overige bezittingen, inclusief huurinkomsten en voordelen uit eigen gebruik van onroerende zaken, met 1,5 procentpunt verhoogd.
  • Vanaf 2028: De vermogenswinstbelasting wordt uitgebreid naar alle financiële instrumenten, zoals aandelen, obligaties en opties. Dit betekent dat voor ongeveer 90% van het vermogen met waardeontwikkeling in box 3 een vermogenswinstbelasting geldt. Vanaf dit jaar geldt ook een heffingsvrij resultaat van € 1.000.
  • Vanaf 2030: De overstap naar een volledige vermogenswinstbelasting voor alle vermogensbestanddelen.

Ter dekking van deze voorstellen wordt het hoge tarief in box 2 vanaf 2027 tijdelijk verlaagd naar 29,2% voor vier jaar. Dit moet ondernemers stimuleren om meer winst uit hun bedrijf op te nemen. Daarnaast wordt de mogelijkheid om uit een eigen bv te lenen in vijf stappen van € 80.000 beperkt van € 500.000 naar € 100.000, met uitzondering van leningen voor een eigen woning.

Koopkracht en sociale zekerheid

Om de koopkracht te stimuleren en werken meer te laten lonen, neemt het kabinet aanvullende maatregelen. De arbeidskorting wordt minder verhoogd, namelijk met € 133 in plaats van € 173. De inkomensgrens voor het toptarief wordt verhoogd van € 78.426 naar € 80.578. Wat betreft de sociale zekerheid zijn de eerder voorgenomen bezuinigingen op arbeidsongeschiktheids- en werkloosheidsuitkeringen voor dit jaar van tafel. Het kabinet wil met werkgevers en vakbonden een sociaal akkoord sluiten over hervormingen van deze uitkeringen.

Overige voorstellen
Andere voorstellen en gespreksthema's zijn onder meer:

  • Verlaging van de accijns op benzine en diesel in 2027 en 2028 met in totaal € 2,1 miljard.
  • Verlaging van de vliegbelasting.
  • Extra investeringen in (regionale) infrastructuur.
  • Een fiscale investeringsreserve voor de agrarische sector.
  • Tijdelijke verlaging van de vrachtwagenheffing en motorrijtuigenbelasting voor bestelauto's.
  • Gesprekken met de oppositie over medisch-ethische vraagstukken, migratie, het stikstofpakket en zorgfraude.

Lees meer

Wtta: nieuwe regels voor het uitlenen van personeel

De Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) bepaalt dat bedrijven alleen nog werknemers mogen uitlenen als zij daarvoor een toelating hebben. Met deze wet wil de overheid misstanden op de uitleenmarkt tegengaan. De Wtta treedt op 1 januari 2027 in werking. Vanaf 1 januari 2028 handhaaft de Nederlandse Arbeidsinspectie op de toelatingsplicht.

Voor wie geldt de Wtta? 

De wet geldt voor uitleners. Dat zijn bedrijven die tegen vergoeding werknemers ter beschikking stellen om onder toezicht en leiding van een ander werk te verrichten. Hieronder vallen onder meer: 

  • uitzendbureaus; 
  • detacheerders; 
  • payrollbedrijven; 
  • bedrijven die incidenteel personeel uitlenen. 

Daarnaast geldt de Wtta voor inleners, oftewel bedrijven die personeel inhuren.

Uitleners

Het normenkader van de Wtta is verplicht. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de financiële en administratieve betrouwbaarheid van een onderneming, maar ook naar de manier waarop zij met werknemers omgaat. Uitleners mogen alleen personeel uitlenen als zij een toelating of een ontheffing hebben. Om hiervoor in aanmerking te komen, moeten zij vooraf aantonen dat zij aan het normenkader voldoen. Ook krijgen zij te maken met periodiek toezicht en controles.

Daarnaast moeten uitleners:

  • een waarborgsom van € 100.000 storten;
  • een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) overleggen.

Inleners

Hoewel de Wtta zich vooral richt op bedrijven die personeel uitlenen, krijgen ook bedrijven die personeel inhuren te maken met nieuwe verplichtingen en verantwoordelijkheden. Vanaf 1 januari 2028 mogen zij alleen nog werknemers inlenen van uitleners met een toelating of ontheffing van de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU), tenzij een wettelijke uitzondering geldt. Daarnaast moeten inleners uiterlijk vóór de start van de werkzaamheden vastleggen via welke uitlener personeel wordt ingezet. Deze verplichting geldt ook bij doorlening. Verder zijn inleners verantwoordelijk voor het tijdig verstrekken van de arbeidsvoorwaarden aan de uitlener.

Waadi-register wordt Wtta-register 

Op 1 januari 2028 gaat het Waadi-register van de Kamer van Koophandel (KVK) over naar het openbare Wtta-register van de NAU. Hierdoor vervalt voor uitleners de verplichting om een Waadi-registratie in het Handelsregister op te nemen. Ook de huidige Waadi-check voor inleners via de website van de KVK verdwijnt. Inschrijving in het Handelsregister van de KVK blijft wel verplicht.


Lees meer

Vanaf november extra toeslag van € 2 voor pakketjes van buiten de EU

Vanaf 1 november 2026 moeten importeurs een afhandelingsvergoeding gaan betalen op e-commercezendingen die van buiten de EU aan een consument in de EU worden verzonden. Deze vergoeding bedraagt € 2 per productcategorie, ongeacht de waarde van de zending. Dat betekent dat de afhandelingsvergoeding ook wordt geheven op producten die een waarde hebben van meer dan € 150. 

Invoerrechten

Voor zendingen tot en met € 150 heft de Douane sinds 1 juli 2026 invoerrechten. Het gaat om € 3 invoerrechten per productcategorie. Voor zendingen van meer dan € 150 hangt de hoogte af van de totale kosten, waar het product van gemaakt is en waar het vandaan komt.


Lees meer

Geen incassokosten bij niet geregistreerde incassodienstverlener

Incassodienstverleners die niet geregistreerd zijn, mogen vanaf 1 oktober geen incassokosten of rente in rekening brengen bij personen met schulden. Dit geldt ook voor incassowerkzaamheden bij eenmanszaken, vennoten en maatschappen. De oorspronkelijke schuld moet wel betaald worden. Het register is te raadplegen op: https://www.justis.nl/registers/register-incassodienstverlening

Hiermee treedt het laatste artikel van de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki) in werking. Doel van de Wki is mensen met een schuld beter te beschermen tegen onprofessioneel handelen van incassodienstverleners. Daarom stelt de wet eisen aan de kwaliteit en betrouwbaarheid van incassodienstverleners. Denk daarbij aan opleidingseisen, goede en juiste informatie aan iemand met een schuld, inzicht in de opbouw van een schuld en incassokosten en juiste omgangsvormen.

Het gaat om incassodienstverleners in de breedste zin van het woord, namelijk alle partijen die een aanmaning naar een persoon versturen namens een derde of nadat ze de schuld gekocht hebben. Onderdeel van de Wki is dat een incassodienstverlener zich registreert. Deurwaarders en advocaten die incassodiensten verlenen, hebben geen registratieplicht, omdat zij al geregistreerd staan in het deurwaardersregister of op het tableau.


Lees meer

Tijdige aangifte erfbelasting voorkomt rente alleen bij een juiste aangifte

Een erfgename stelt dat zij geen belastingrente verschuldigd is over de te betalen erfbelasting. De aangifte is immers tijdig ingediend en de inspecteur heeft daarna ruim twee jaar laten verstrijken voordat hij een aanslag oplegt. Daarnaast wijst zij erop dat het werkelijke rendement op het vermogen ongeveer 1% bedraagt, terwijl de rente oploopt tot 7,5%. De inspecteur houdt voet bij stuk. De wettelijke uitzondering geldt alleen als de aanslag overeenkomt met de aangifte. Daarvan is hier geen sprake.

Een te laag saldo

De aangifte is in december 2022 de deur uitgegaan en vermeldt een zuiver saldo van de nalatenschap van € 1,6 miljoen. Het erfdeel van de vrouw is goed voor ruim € 16.000 erfbelasting. Correspondentie met haar gemachtigde levert vanaf mei 2024 een heel ander beeld op. Het zuivere saldo komt uit op bijna € 2,3 miljoen en ook de erfdelen worden anders vastgesteld. De aanslag, met € 11.000 belastingrente, volgt in april 2025.

Alleen bij een gevolgde aangifte

De rechtbank volgt de inspecteur. Bij een aanslag erfbelasting wordt rente berekend vanaf acht maanden na het overlijden. De uitzonderingen in de wet zien uitsluitend op een aanslag die overeenkomstig de aangifte wordt vastgesteld. In deze zaak wijkt de aanslag op meerdere punten af. Dat de aangifte tijdig binnen is, doet daar niets aan af. Ook het verwijt dat de inspecteur niet binnen drie maanden een aanslag oplegt, treft geen doel. Die termijn is een streven. De wet geeft hem drie jaar. De belastingrente komt niet voort uit traagheid bij de Belastingdienst, maar uit fouten in de aangifte zelf. Wie het saldo en de erfdelen meteen goed vaststelt, houdt de teller op nul.


Lees meer

Lening met lage rente blijkt te hoog gewaardeerd

Een financieringsvennootschap krijgt binnen het concern een vordering van $ 207,7 miljoen op een werkmaatschappij in Kazachstan. De rente ligt ver onder de marktrente en de werkmaatschappij hoeft pas in 2031 iets te betalen. Als de vennootschap in 2018 naar Hongarije verhuist, claimt zij op die vordering een verlies van $ 37,6 miljoen. Het hof vindt dat verlies niet aftrekbaar. De vordering had vanaf het begin voor een lager bedrag op de balans moeten staan en dan is er bij vertrek geen verlies.

Minder waard dan op papier

De waarde van een vordering is niet altijd gelijk aan de nominale waarde. Stel dat iemand belooft je over vijftien jaar € 100 terug te betalen, zonder rente. Een koper betaalt daar vandaag flink minder voor, want elders levert zijn geld rente op. Die lagere prijs heet de contante waarde. De werkmaatschappij betaalt 0,1 procentpunt boven het interbancaire tarief, terwijl partijen een opslag van 2,75 procentpunt zakelijk vinden. Betalen hoeft pas op 1 februari 2031. De contante waarde van de vordering is daardoor fors minder dan $ 207,7 miljoen.

Afrekenen bij vertrek

De vennootschap zet de vordering toch voor het volle bedrag op haar balans. Voor de Belastingdienst telt zij elk jaar een zakelijke rente bij haar winst. Op 25 juli 2018 verhuist haar feitelijke leiding naar Hongarije. Bij zo'n vertrek moet er worden afgerekend alsof de vennootschap haar bezittingen verkoopt tegen de werkelijke waarde. Voor de vordering is dat $ 170,1 miljoen. Het verschil met de balanswaarde neemt de vennootschap als verlies. De inspecteur weigert de aftrek.

Meteen de lagere waarde

Volgens het hof verkrijgt de vennootschap de vordering op 9 december 2016 door een overdracht binnen het concern. Een nieuwe bezitting hoort op de balans voor haar werkelijke waarde. Hier is dat de contante waarde. Doorslaggevend is dat vóór 2031 niets opeisbaar is. Daardoor staat al bij de verkrijging vast hoeveel rente de vennootschap misloopt. Elk jaar groeit de waarde daarna richting het volle bedrag, en die groei telt als winst.

Fout alsnog hersteld

De vordering staat dus sinds 2016 te hoog op de balans. Zo'n balansfout mag de inspecteur herstellen in het oudste jaar dat nog openstaat. Hier is dat 2018: over 2017 heeft hij na de rechtbankuitspraak geen belang bij hoger beroep. Op 1 januari 2018 staat de vordering daarom voor de contante waarde van $ 166,5 miljoen op de balans. Met een waarde van $ 170,1 miljoen bij vertrek is er dus geen verlies. 


Lees meer

Tarieven en heffingskortingen 2027

De tarieven en heffingskortingen in de inkomstenbelasting zien er als volgt uit.

  2027 2026
 Tarief schijf 1  36,23%  35,75%
 Tarief schijf 2  38,16%  37,56%
 Tarief schijf 3  49,5%  49,5%
 Grens schijf 1  € 39.247  € 38.883
 Grens schijf 2  € 78.426  € 78.426
 Algemene heffingskorting, maximaal  € 3.154  € 3.115
 Arbeidskorting, maximaal  € 5.929  € 5.685
 IACK, maximaal  € 2.918  € 3.032
 Jonggehandicaptenkorting  € 935  € 923
 Zelfstandigenaftrek  € 900  € 1.200
 Startersaftrek  € 10  € 2.123
Stakingsaftrek  € 908  € 3.630
 Mkb-winstvrijstelling  12,7%  12,7%

* Voor mensen die geboren zijn voor 1 januari 1946 geldt een hogere bovengrens van schijf 1 van € 41.637.

Vrijheidsbijdrage

De wettelijke inflatiecorrectie vindt jaarlijks plaats door toepassing van de zogenoemde tabelcorrectiefactor. Het kabinet stelt voor dat burgers en (in beperkte mate) bedrijven de vrijheidsbijdrage leveren in de vorm van een beperking van de toepassing van de wettelijke inflatiecorrectie. De tabelcorrectiefactor wordt beperkt toegepast in de inkomsten- en loonbelasting voor 2027 en 2028. Normaal zou de inflatiecorrectie 2,6% bedragen (factor 1,026) in 2027, maar nu wordt slechts 48% toegepast (factor 1,01248). Daardoor stijgen tariefschijven, heffingskortingen en enkele andere bedragen minder sterk.


Lees meer

Aanpassingen IB particulieren en box 2

Specifieke zorgkosten

De regeling aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten zal worden afgeschaft per 2028. Er komt geen overgangsrecht voor negatieve persoonsgebonden aftrek die samenhangt met de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten. Dit betekent dat een teruggave of nagekomen betaling, die na 1 januari 2028 wordt ontvangen voor eerder afgetrokken zorgkosten, niet meer leidt tot een negatieve persoonsgebonden aftrek. 

Aftoppingsgrens pensioen

Sinds 1 januari 2015 is het inkomen, waarover aanvullend pensioen of een lijfrente kan worden opgebouwd, gemaximeerd. De zogenoemde aftoppingsgrens wordt jaarlijks geïndexeerd. In 2026 bedraagt de aftoppingsgrens € 137.800. In 2025 en 2026 is de aftoppingsgrens niet geïndexeerd. Voorgesteld wordt om ook in de jaren 2027 tot en met 2032 geen indexatie toe te passen op de aftoppingsgrens.

Verkrijgingsprijs bij zetelverplaatsing

Als de werkelijke leiding van een vennootschap wordt verplaatst naar Nederland (zetelverplaatsing), ontstaat voor de in het buitenland woonachtige aanmerkelijkbelanghouder een buitenlandse belastingplicht voor de inkomstenbelasting. Dit leidt ertoe dat over reguliere voordelen en over vervreemdingsvoordelen in Nederland inkomstenbelasting in box 2 is verschuldigd.

Op basis van de huidige wettekst kan het standpunt ingenomen worden dat de verkrijgingsprijs vastgesteld moet worden op de (historische) tegenprestatie bij verkrijging van het aanmerkelijk belang. Om dit te voorkomen wordt voorgesteld om de verkrijgingsprijs bij zetelverplaatsing vast te stellen op de waarde in het economische verkeer van het aanmerkelijk belang op dat moment. Hierdoor wordt alleen een waardestijging of een waardedaling die plaatsvindt na de zetelverplaatsing tot het inkomen uit box 2 gerekend.

Vererfd ab en fictief regulier voordeel

Bij een vererfd aanmerkelijk belang kan onder voorwaarden gebruik worden gemaakt van een faciliteit waardoor reguliere voordelen die binnen 24 maanden na overlijden worden ontvangen, niet direct in box 2 worden belast. Deze faciliteit kan ongewenst uitpakken bij een fictief regulier voordeel uit de Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap. Voorgesteld wordt dat de faciliteit voor een vererfd aanmerkelijk belang niet kan worden toegepast op dit fictieve voordeel. Bovendien voorkomt de maatregel dubbele heffing. Zonder uitsluiting kan het maximumbedrag van € 500.000 niet worden verhoogd, waardoor bij een ongewijzigde schuld in een volgend jaar opnieuw een fictief regulier voordeel ontstaat.


Lees meer

Aanpassingen ondernemingen

Afschaffen startersaftrek

De startersaftrek is een regeling in de inkomstenbelasting waardoor een ondernemer, die minder dan vijf jaar ondernemer is (starter), onder voorwaarden maximaal drie jaar recht heeft op een extra aftrekpost van maximaal € 2.123. De startersaftrek wordt per 1 januari 2027 verlaagd tot € 10 en per 1 januari 2028 volledig afgeschaft. In het verlengde hiervan wordt in 2028 ook de regeling willekeurige afschrijving starters afgeschaft. 

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid 

Verder wordt voorgesteld om per 1 januari 2029 de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid af te schaffen. De regeling is bedoeld voor ondernemers die niet aan het urencriterium van 1.225 uur voldoen, maar wel aan het verlaagde urencriterium van 800 uur. Op dit moment is de aftrek in het eerste jaar maximaal € 12.000, in het tweede jaar maximaal € 8.000 en in het derde jaar maximaal € 4.000.

Versoberen en afschaffen meewerk- en stakingsaftrek

Naar verwachting worden per 2027 de meewerkaftrek en stakingsaftrek eerst met 75% versoberd en per 2030 afgeschaft. De meewerkaftrek is een regeling waardoor IB-ondernemers, van wie de partner onbetaald in de onderneming meewerkt, minder belasting over hun winst hoeven te betalen. De hoogte van de meewerkaftrek is gekoppeld aan het aantal door de partner gewerkte uren. De stakingsaftrek zorgt ervoor dat IB-ondernemers, die stoppen met hun onderneming, over een deel van de daarbij behaalde winst geen belasting hoeven te betalen. De stakingsaftrek bedraagt op dit moment € 3.630. Dat wordt € 908 in 2027.

Verhogen aftrekpercentage EIA

Het aftrekpercentage van de energie-investeringsaftrek (EIA) wordt per 1 januari 2027 verhoogd van 40% naar 45,5%. Hiermee wordt het financieel aantrekkelijker voor bedrijven om investeringen te doen in energiebesparende maatregelen of duurzame energie. Hiermee probeert het kabinet om de verduurzaming te versterken en de afhankelijkheid van energie uit het buitenland te verminderen.

Afschaffen bosbouwvrijstelling

De bosbouwvrijstelling is een regeling die de voordelen uit bosbedrijf vrijstelt van inkomsten- resp. vennootschapsbelasting. Het kabinet stelt voor de bosbouwvrijstelling per 1 januari 2029 af te schaffen, zonder enige vorm van overgangsrecht.

Doelstelling van de bosbouwvrijstelling is het bevorderen van het behoud en de aanleg van bossen door bosbedrijven. De bosbouwvrijstelling is volgens recent onderzoek niet doeltreffend en niet doelmatig. Bosbouwbedrijven zijn niet of weinig winstgevend. Het gebruik van de vrijstelling door bosbouwbedrijven is daarom beperkt. Vooral niet-bosbouwbedrijven met een beperkt bosbezit maken gebruik van de regeling. Afschaffing maakt het belastingstelsel eenvoudiger Een deel van de opbrengst van het afschaffen van de bosbouwvrijstelling zal worden besteed aan natuurbeleid via de begroting van het Ministerie van LVVN.

MKB-forfait innovatiebox

De vennootschapsbelasting kent een forfaitaire regeling om de innovatiebox toegankelijker te maken voor het midden- en kleinbedrijf (mkb). Als voor deze regeling wordt geopteerd, wordt 25% van de winst aangemerkt als het saldo van voordelen uit hoofde van de immateriële activa en in de innovatiebox belast. Er geldt een maximum van € 25.000 per jaar en per belastingplichtige. Omdat de winst uit een immaterieel activum zich meestal niet in één jaar voordoet, is ervoor gekozen deze te verdelen over het jaar waarin het immateriële activum ontstaat en de twee daaropvolgende jaren.

Het kabinet stelt voor om deze forfaitaire regeling per 1 januari 2027 te verruimen door het maximumbedrag te verhogen naar € 100.000.


Lees meer

Wijzigingen auto

Youngtimerregeling

Het kabinet bouwt de youngtimerregeling geleidelijker af, zodat autobedrijven en ondernemers minder abrupt geraakt worden door stijgende kosten. Deze leeftijdsgrens gaat in 2027 van 16 naar 17 jaar. Per 2028 geldt voor elke auto dat de youngtimerregeling pas kan worden toegepast als de leeftijdsgrens van 20 jaar is overschreden. Dat leidt dus tot het wegvallen van de youngtimerregeling voor auto’s die in 2027 de leeftijdsgrens van 17, 18 of 19 jaar hebben overschreden, maar nog niet de leeftijdsgrens van 20 jaar. De eerdere verhoging van de leeftijd van auto’s in de youngtimerregeling naar 25 jaar gaat niet door. 

Tijdelijke verlaging motorrijtuigenbelasting voor bestel- en vrachtauto’s

Vooruitlopend op wetgeving is bij beleidsbesluit per 1 juli 2026 een tijdelijke verlaging van de motorrijtuigenbelasting (mrb) ingevoerd voor bestel- en vrachtauto’s. Voor bestelauto’s van ondernemers is het tarief van de mrb gehalveerd. Het tarief van de mrb voor vrachtauto’s is tijdelijk op nihil gesteld. De aanpassingen gelden voor de periode van 1 juli tot en met 31 december 2026. Het Belastingplan 2027 bevat de wettelijke grondslag voor de in het beleidsbesluit opgenomen goedkeuring. De wetsartikelen, waarin de tariefverlagingen zijn opgenomen, werken terug tot en met 1 juli 2026. Met ingang van 1 januari 2027 gelden de normale wettelijke regelingen weer.

Tijdelijk verlagen vrachtwagenheffing

De vrachtwagenheffing is op 1 juli 2026 gestart. De hoogte van de vrachtwagenheffing is afhankelijk van het voor de betreffende vrachtwagen geldende tarief en het aantal kilometers dat met de vrachtwagen op heffingsplichtige wegen wordt gereden. De tarieven en heffingsplichtige wegen zijn vastgelegd in de Wet vrachtwagenheffing. Van 1 september tot en met 31 december 2026 geldt een verlaging van de tarieven met 22,3%. Die verlaging is opgenomen in een goedkeurend beleidsbesluit, vooruitlopend op wetgeving. De tijdelijke wijziging van de tarieven is opgenomen in het BP 2027 om te voorzien in de vereiste wettelijke grondslag.

Pseudo-eindheffing fossiele personenauto’s

De pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s (pefa) treedt op 1 januari 2027 in werking, zoals vastgelegd in het Belastingplan 2026. Deze heffing bedraagt 12% van de cataloguswaarde van de fossiele personenauto. Werkgevers betalen de heffing als zij zo'n auto ook voor privégebruik aan werknemers beschikbaar stellen. Woon-werkverkeer valt hier ook onder. Het kabinet stelt nu enkele aanpassingen voor om problemen die zijn opgemerkt te verminderen.

Vervangend vervoer bij onderhoud en reparatie
De pefa is niet van toepassing op een vervangende fossiele personenauto die een werknemer privé gebruikt vanwege onderhoud of reparatie van de vaste auto. Deze uitzondering geldt als de vervangingsperiode maximaal veertien dagen per onderhouds- of reparatieperiode duurt. Een bandenwissel of schadeherstel valt hier ook onder. Wordt de termijn van veertien dagen overschreden, dan is de pefa vanaf de vijftiende dag dat de vervangende auto ter beschikking is gesteld verschuldigd. De pefa geldt dan voor de gehele kalendermaand waarin de vijftiende dag valt. De uitzondering geldt niet wanneer de vaste auto niet voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld, maar de vervangende auto juist wel voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld. 

Uitzondering voor lesauto’s 
Voertuigen zonder CO₂-uitstoot hebben doorgaans een automatische transmissie. Daarom worden auto’s met handgeschakelde transmissie, die worden gebruikt voor rijles, uitgezonderd van de pefa. Deze maatregel voorkomt dat het aanbieden van handgeschakelde lesauto’s wordt ontmoedigd, wat de rijvaardigheid van nieuwe automobilisten kan beperken.

Termijn overgangsrecht 
Het overgangsrecht voor auto’s die vóór 1 januari 2027 voor het eerst ter beschikking zijn gesteld, wordt verlengd tot en met 31 december 2030 (was 16 september). Dit voorkomt administratieve lasten door een einde halverwege een maand of jaar. De verlenging sluit ook beter aan bij de regeling privégebruik auto, die ook per kalenderjaar is. 

Incidentele terbeschikkingstelling
Ook komt er een nieuwe uitzondering voor tijdelijk gebruik van auto's, zoals huur- of deelauto’s. Een werkgever mag per kalenderjaar één keer een fossiele personenauto maximaal zeven aaneengesloten dagen privé beschikbaar stellen zonder de heffing te betalen. Dit geldt per fossiele auto per werkgever en per kalenderjaar. Als dezelfde auto in hetzelfde jaar aan een andere werknemer of voor een tweede periode privé wordt gebruikt, geldt de uitzondering niet. De werkgever betaalt dan de heffing over de betreffende maanden. Deze uitzondering stopt op 31 december 2030.

Anticumulatiebepaling
Er wordt een anticumulatiebepaling in de wet opgenomen om te voorkomen dat de pefa samenloopt met de pseudo-eindheffing voor hoge vertrekvergoedingen. Dit betekent dat het bedrag van de pseudo-eindheffing voor te hoge vertrekvergoedingen wordt berekend zonder het voordeel van de fossiele auto mee te tellen. Zo wordt dubbele belasting over hetzelfde bedrag voorkomen.


Lees meer

Maatregelen Loonbelasting

Onbelaste reiskostenvergoeding naar € 0,25

De gerichte vrijstelling voor reiskosten wordt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 verhoogd van € 0,23 naar € 0,25. In navolging van deze verhoging worden ook het forfait voor aftrekbare reiskosten voor IB-ondernemers en resultaatgenieters en het forfait voor reiskosten bij specifieke zorgkosten bij ziekenbezoek, weekenduitgaven voor gehandicapten en het forfait voor de giftenaftrek voor de situatie waarin een vrijwilliger afziet van een reiskostenvergoeding verhoogd van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer.

Afschaffen vrijstelling eigen producten WKR

Voorgesteld wordt om de gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten af te schaffen. Deze vrijstelling gold sinds 2015. Werkgevers konden sindsdien een korting geven tot een bedrag van ten hoogste 20%, maar niet meer dan € 500 per werknemer per kalenderjaar op producten uit het eigen bedrijf. Denk hierbij aan personeelskorting op boodschappen, kleding, elektronica, gezinsabonnementen, vliegtickets, hypotheekadvies of verzekeringspremies. Werkgevers kunnen vanaf 2027 nog wel personeelskorting blijven geven, maar deze korting moeten zij dan ten laste van de vrije ruimte van de werkkostenregeling brengen. Het is niet langer nodig om bij te houden hoeveel korting er per werknemer is gegeven.


Lees meer

Aanpassingen Btw en accijns

Tarief sierteelt en ballonvaarten

Sierteeltproducten zijn onder meer bloembollen, bloemen, planten en boomkwekerijproducten zoals kerstbomen. Het verlaagde btw-tarief van 9% op deze producten wordt afgeschaft. Vanaf 1 januari 2028 geldt het algemene btw-tarief van 21% voor sierteeltproducten. Vanaf die datum geldt ook voor ballonvaarten het algemene tarief. Omdat er in deze sector gewerkt wordt met vooruitbetalingen, wordt met een overgangsbepaling geregeld dat het btw-tarief geldt van het moment waarop de prestatie wordt verricht. Wordt een ballonvaart dus vooruitbetaald in 2027, maar vindt deze plaats in 2028, dan is het algemene btw-tarief verschuldigd.

Verlengen accijnskorting voor ongelode benzine

De accijnstarieven voor ongelode benzine, diesel en LPG zijn sinds 1 april 2022 verlaagd. Per 1 juli 2023 is de verlaging gedeeltelijk teruggedraaid. Het kabinet stelt voor om de accijnskorting voor ongelode benzine te verlengen tot 1 januari 2028. Het accijnstarief voor ongelode benzine wordt iets verhoogd, maar niet geïndexeerd, waardoor de accijnskorting voor 2027 de facto ruimer wordt.

Accijnstarief 2027 2026
In basispad € 1,02812 € 1,00207
Accijnskorting € 0,17643 € 0,15738
Accijnstarief € 0,85169 € 0,84469

Indexatie alcoholaccijns

In tegenstelling tot andere accijnzen kent de alcoholaccijns momenteel geen indexatiesystematiek. Hierdoor neemt de hoogte daarvan relatief af bij inflatie. Voorgesteld wordt dat de hoogte van de accijns jaarlijks automatisch wordt aangepast aan de inflatie, zodat de reële hoogte van de tarieven gelijk blijft.

Afschaffen kleine brouwersregeling
Over bier van kleine brouwerijen wordt een lager accijnstarief geheven dan over bier van grote brouwerijen. Kleine brouwerijen (< 200.000 hl) krijgen een accijnskorting van 7,5%. Dit scheelt, afhankelijk van het alcoholpercentage, één tot twee cent per glas. Het kabinet stelt voor om dit verlaagde accijnstarief per 2028 af te schaffen, zodat ook bij kleine brouwerijen het reguliere accijnstarief wordt geheven.


Lees meer

Wijzigingen Overdrachtsbelasting

Verlaging algemeen woningtarief overdrachtsbelasting van 8% naar 7%

Het tarief van de overdrachtsbelasting voor zogenaamde niet-hoofdverblijfwoningen, zoals woningen die investeerders kopen voor de verhuur, wordt verlaagd van 8% naar 7%. Deze verlaging moet het investeringsklimaat op de huurmarkt verbeteren en het aanbod van huurwoningen stimuleren. De startersvrijstelling en de overige tarieven, zoals het verlaagde tarief van 2% voor hoofdverblijfwoningen, veranderen niet.

Nieuwe vrijstelling overdrachtsbelasting voor woningcorporaties

In de overdrachtsbelasting geldt onder voorwaarden een vrijstelling bij een taakoverdracht tussen twee algemeen nut beogende instellingen (ANBI). Woningcorporaties kunnen een ANBI zijn als zij aan de voorwaarden voldoen. Deze vrijstelling heeft een aantal voorwaarden, die het voor woningcorporaties lastig maken om huurwoningen aan elkaar over te dragen zonder de heffing van overdrachtsbelasting. Zo geldt de vrijstelling niet bij de overdracht van losse onroerende zaken. Om die reden wordt een nieuwe vrijstelling voorgesteld voor overdrachten van onroerende zaken tussen woningcorporaties onderling. Het gaat daarbij alleen om onroerende zaken die woningcorporaties nodig hebben voor diensten van algemeen economisch belang. Andere onroerende zaken vallen niet onder de nieuwe vrijstelling. De vrijstelling voor taakoverdracht is niet langer van toepassing wanneer bij een taakoverdracht een koopsom wordt bedongen. Daarmee wordt voorkomen dat woningcorporaties in voorkomende gevallen een beroep op twee vrijstellingen kunnen doen.


Lees meer

Wijzigingen Milieubelastingen

Verhoging tarief belasting op leidingwater

Met de belasting op leidingwater wordt er belasting geheven over de levering van leidingwater, al dan niet van drinkwaterkwaliteit. De belasting is tot nu toe beperkt tot de eerste 50.000 m³ leidingwater per jaar per aansluiting. In het BP 2026 is geregeld dat het heffingsplafond per 1 januari 2027 vervalt en is de belastinggrondslag versmald naar water van drinkwaterkwaliteit. De belasting op leidingwater per 2027 wordt verhoogd met 10 cent per m³ van € 0,437 naar € 0,537 (prijspeil 2026). Het tarief wordt jaarlijks geïndexeerd.

Verlaging hoge tarief vliegbelasting

Per 1 januari 2027 wordt het tarief van de vliegbelasting gedifferentieerd naar afstand, gebaseerd op de eindbestemming van de passagier. Er gelden drie tarieven:

  • laag tarief: € 31,04 per passagier;
  • middentarief: € 49,87 per passagier; en
  • hoog tarief: € 74,81 per passagier.

Duitsland heeft er recent voor gekozen de tarieven van de Duitse vliegbelasting per 1 juli 2026 te verlagen. Hierdoor zijn de tarieven in Duitsland lager dan de Nederlandse tarieven per 2027. Het kabinet stelt nu voor het hoge tarief in Nederland te verlagen tot het niveau van het hoge tarief van de Duitse vliegbelasting. Dat komt neer op een bedrag van € 59,43 (prijspeil 2027). Dit tarief geldt voor bestemmingen zoals de Verenigde Staten, Zuid-Afrika en Indonesië. Deze verlaging veroorzaakt een structurele budgettaire derving van € 61 mln. vanaf 2027.

Definitie eindbestemming vliegbelasting

De voorgestelde aanpassing maakt het mogelijk dat, wanneer er geen vervoersovereenkomst is (zoals bij privévluchten), de eindbestemming van een passagier ook met een ander passend bewijsstuk kan worden aangetoond, zodat in deze gevallen niet automatisch het hoogste tarief hoeft te worden toegepast.

Wijziging verlaagd energiebelastingtarief glastuinbouw

Het kabinet wil per 1 januari 2027 voor energieleveranciers een verplichting invoeren om een bepaalde hoeveelheid groen gas te leveren aan eindgebruikers in Nederland. Het betreft de afnemers, die binnen de afbakening van het tweede emissiehandelssysteem (ETS2) vallen. De bijmengverplichting groen gas gaat ook voor de glastuinbouwsector gelden. De meerprijs van groen gas leidt tot extra financiële lasten voor tuinbouwbedrijven. Daarom is afgesproken dat de glastuinbouw via aanpassing van de verlaagde energiebelastingtarieven tot en met 2030 wordt gecompenseerd voor de meerprijs van groen gas. Na 2030 loopt de compensatie stapsgewijs af.

Het kabinet heeft ervoor gekozen om enkel de meerkosten van de bijmengverplichting groen gas voor 2027 te compenseren via de energiebelasting. In het voorjaar van 2027 neemt het kabinet een besluit over de vorm van compensatie voor de bijmengverplichting in de periode na 2027. De compensatie in de energiebelasting in 2027 vindt alleen doorgang als de bijmengverplichting groen gas per 1 januari 2027 in werking treedt. Voor 2027 gaat het kabinet uit van een maximale meerprijs van groen gas van 1,5 cent per m3 aardgas. Naast verlaging van de energiebelastingtarieven in de schijven, waarvoor al een verlaagd energiebelastingtarief geldt (tot 1 miljoen m3 aardgas), wordt het verlaagde energiebelastingtarief voor de glastuinbouw in 2027 uitgebreid naar de derde schijf voor de glastuinbouw tot 10 miljoen m3 aardgas.


Lees meer

Overige voorstellen

Minder regels

‘Meer ruimte voor mensen en bedrijven, en een overheid die niet hindert, maar helpt.’ Het kabinet beseft dat dit geen origineel voornemen is, maar de aanpak moet deze keer merkbaar resultaat opleveren. Een eerste stap is: zelfbeheersing in het maken van nieuwe regels. De tweede stap is: minder regels. Het doel is dat per jaar minimaal vijfhonderd regels verdwijnen of eenvoudiger worden. Ieder jaar, te beginnen dit najaar, dient het kabinet een Vereenvoudigingswet in, gericht op het afschaffen van overbodige regels en wetten. 

Verduidelijking belastingplichtige CO₂-heffing glastuinbouw

Er wordt voorgesteld de belastingplichtige voor de CO₂-heffing glastuinbouw te verduidelijken. De belastingplichtige is op dit moment de ‘rechtspersoon of natuurlijke persoon die het glastuinbouwbedrijf’ drijft. Dit wekt de indruk dat bij personenvennootschappen (zoals maatschap en vof) de achterliggende participanten belastingplichtig zijn. Het voorstel is om duidelijker te omschrijven dat de belastingplicht rust op eenieder die het glastuinbouwbedrijf drijft, dus het samenwerkingsverband zelf. De participanten zijn dan niet afzonderlijk belastingplichtig en er hoeft ook geen toerekening aan hen plaats te vinden.

Aanpassing fiscale behandeling ingeprijsd valutaresultaat

Het kabinet stelt voor om de fiscale behandeling van het afdekken van valutarisico’s, die worden gelopen met een deelneming, aan te passen. Het voordeel dat wordt behaald met een instrument dat het valutarisico op een deelneming in vreemde valuta afdekt, valt op verzoek onder de deelnemingsvrijstelling. Het ingeprijsde valutaresultaat is het verwachte valutaresultaat, gelet op de relatieve zwakte of sterkte van de betreffende valuta in vergelijking met de euro. Met ingang van boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2027 behoort alleen het niet-ingeprijsde valutaresultaat op een afdekkingsinstrument tot de voordelen uit hoofde van de deelneming. De aanpassing dient ter dekking van de structurele derving van belastingopbrengst, die het gevolg is van een arrest uit 2025 over de toepassing van de liquidatieverliesregeling. Voor bestaande afdekkingsinstrumenten wijzigt door het overgangsrecht de fiscale behandeling van ingeprijsde valutaresultaten niet.

Veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024

Er worden veiligehavenregels toegevoegd aan Wet minimumbelasting 2024. Met terugwerkende kracht vanaf 2026. Dit geldt voor bedrijven met een omzet van € 750 miljoen of meer. Hiermee worden vier nieuwe internationale afspraken uit de OESO opgenomen in de wetgeving. Deze regels beogen administratieve lastenvermindering en voorkomen eventuele Nederlandse bijheffingen.


Lees meer

Wetsvoorstel Wet Fiscale stimulering start-ups en scale-ups

Start-ups en scale-ups hebben vaak niet de financiële middelen om werknemers een concurrerend salaris te bieden. Aandelenopties kunnen hiervoor een oplossing bieden. Het voordeel uit aandelenopties is belast tegen de tarieven van box 1 van de inkomstenbelasting. Die tarieven zijn in Nederland een stuk hoger dan in andere landen. 

Optierechten

Ter stimulering van start-ups en scale-ups stelt het kabinet een lagere loonheffing op het inkomen uit aandelenopties voor werknemers van start-ups en scale-ups voor. De belastingheffing wordt uitgesteld tot het moment van verkoop van met de optierechten verkregen aandelen. De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2027. De vrijstelling van deze aandelen in box 3 moet per 1 januari 2028 ingaan.

Grondslag LB

De grondslag voor de loonbelastingheffing is beperkt tot 65%, waardoor het effectieve tarief ongeveer gelijk is aan het tarief in box 2. Voorgesteld wordt om deze maatregel toe te passen op aandelenopties die door start-ups en scale-ups zijn uitgegeven sinds de bekendmaking van de fiscale regeling in de Voorjaarsnota van 2025, mits zij de loonsfeer nog niet hebben verlaten.

Voorwaarde

Voorwaarde voor toepassing van de regeling is dat het aandelenoptierecht of de bij uitoefening daarvan verkregen aandelen niet binnen twee jaar na toekenning mogen worden vervreemd. Deze voorwaarde geldt niet bij een eerdere verkoop of beursgang van de onderneming, omdat de werknemer in die situatie veelal gedwongen is zijn aandelen en optierechten te verkopen.

RVO-beschikking

RVO bepaalt bij beschikking of een onderneming kwalificeert als start-up of scale-up. Die beschikking heeft een looptijd van acht jaar en kan worden verlengd. Na het verstrijken van de geldigheidsduur van de beschikking is niet langer sprake van een start-up of een scale-up. Opties of daaruit verkregen aandelen, die dan nog niet in de heffing zijn betrokken, vallen onder de bestaande regeling voor aandelenopties in de loonheffingen. De grondslagversmalling wordt naar tijdsgelang toegekend.

Emigratie

Bij emigratie van een werknemer voordat de optierechten of de aandelen in de loonheffing zijn betrokken, wordt uitgegaan van een fictieve vervreemding van de aandelen(opties). Daarvoor wordt een conserverende belastingaanslag opgelegd. Voor deze aanslag wordt uitstel van betaling verleend.

Samenloop met lucratiefbelangregeling

Aandelen of optierechten, die als lucratief belang kwalificeren, vallen niet onder deze regeling, ook niet als zij betrekking hebben op een start-up of scale-up.


Lees meer

Vijf jaar in één factuur: aftrek sneuvelt

Een holding trekt ruim € 2 miljoen aan managementkosten af. Deze zijn gefactureerd door een buitenlandse vennootschap, geleid door de bestuurder van de holding. De factuur dateert van maart 2020, bestrijkt 2017 tot en met 2022 en wordt nooit betaald. De inspecteur schrapt de aftrek en de rente over dat bedrag. 

Vijf jaar in één factuur

De vennootschap vormt met twee dochters een fiscale eenheid en verliest in juni 2020 haar enige aandeelhouder. Zijn weduwe is al sinds november 2018 bestuurder en erft de aandelen. Die bestuurder stuurt in maart 2020 via haar buitenlandse vennootschap een factuur van € 2.167.760 aan een dochter, voor het managen van een procedure tegen een bank. De specificatie beslaat 2017 tot en met 2022, dus ook werk dat nog moet gebeuren. Er wordt niets betaald. Het bedrag wordt verwerkt in de rekening-courant.

Wel verzwaard, niet omgekeerd

Over 2020 en 2021 komen de aangiften pas nadat de aanslagen er liggen. Wie de termijn uit de aanmaning laat verlopen, doet niet de vereiste aangifte. De AWR verbindt daaraan omkering en verzwaring van de bewijslast. Toch is de omkering hier niet aan de orde. Omdat alleen de kostenaftrek in geschil is en die bewijslast toch al op de vennootschap rust, valt er niets om te keren en resteert de verzwaring. Zij moet dus overtuigend aantonen dat de kosten zakelijk zijn.

Verleden, heden en toekomst

In die bewijslast slaagt de vennootschap niet. Een factuur die vijf jaar aan verleden, heden en toekomst bestrijkt, noemt de rechtbank zeer ongebruikelijk; het uitblijven van betaling versterkt de twijfel. Een schriftelijke overeenkomst over het gestelde uurtarief van $ 150 ontbreekt, net als een vastlegging van de afspraken uit februari 2020. De onkosten komen elke maand op hetzelfde bedrag uit en ontberen elke onderbouwing. De advocaten die over de inzet van de bestuurder verklaren, zien haar bovendien als bestuurder van de vennootschap zelf. Het vervallen van de aftrek heeft ook gevolgen voor de rente.


Lees meer