Minimumuurloon per 1 januari naar € 15,29 De bedragen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag worden halfjaarlijks gewijzigd. Per 1 januari 2027 bedraagt het minimumuurloon voor iemand van 21 jaar of ouder € 15,29. Voor mensen die jonger zijn dan 21 jaar gelden van het wettelijk minimumuurloon afgeleide bedragen. Voor werknemers die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst die is aangegaan in verband met een beroepsbegeleidende leerweg (bbl) gelden per 1 januari 2027 geen alternatieve staffels meer. Het referentiemaandloon bedraagt per 1 januari 2027 bruto € 2.385. Leeftijd Staffeling Per uur 21 jaar 100,0% € 15,29 20 jaar 87,5% € 13,38 19 jaar 75,0% € 11,47 18 jaar 62,5% € 9,56 17 jaar 50,0% € 7,65 16 jaar 40,0% € 6,12 15 jaar 30,0% € 4,59 Lees meer
Eindejaarstips dga en bv Salaris dga De dga en zijn partner zijn wettelijk verplicht om voor hun werk voor de bv ten minste een gebruikelijk loon te ontvangen. Het gebruikelijk loon moet minimaal het hoogste zijn van de volgende drie bedragen: 100% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking. Het loon van de meestverdienende werknemer binnen de vennootschap of een verbonden vennootschap. Een minimumbedrag van € 58.000 (2027: € 60.000). Loon in natura, bonussen en de bijtelling voor privégebruik van een auto tellen mee. De bv mag aannemelijk maken dat het salaris van de dga lager moet zijn dan het op basis van het voorgaande vastgestelde bedrag. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij parttime werkzaamheden, structurele verliezen of wanneer sprake is van een startende onderneming. Let op! De regeling geldt afzonderlijk voor iedere vennootschap waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden en waarvoor de dga of zijn partner arbeid verricht. Excessief lenen Houders van een aanmerkelijk belang in een bv (5% of meer van de aandelen) moeten inkomstenbelasting in box 2 betalen over schulden aan de eigen bv, voor zover deze op 31 december 2026 meer bedragen dan € 500.000. Deze grens wordt mogelijk in vijf stappen van € 80.000 beperkt tot € 100.000 in 2031. In 2027 is de grens dan € 420.000. Om de hoogte van de lening vast te stellen, tellen alle schulden aan de bv mee, behalve de eigenwoningschulden voor zover aan de bv een recht van hypotheek is verstrekt. Schulden bij meerdere bv’s worden bij elkaar opgeteld. Een schuld die eerder in box 2 werd belast op grond van deze regeling, wordt niet opnieuw belast. Vorderingen worden niet automatisch verrekend bij het bepalen of de schuld te hoog is. Als verrekening gewenst is, moeten ab-houders dit zelf regelen via een daadwerkelijke (civielrechtelijke) verrekening. Het is belangrijk om dit voor het einde van december te doen. Dividend of niet Het tarief voor dividenduitkeringen aan dga’s bedraagt 24,5% over de eerste € 68.843 (2027: € 69.703) en 31% over het meerdere. Deze tarieven worden van 2027 tot en met 2030 mogelijk verlaagd naar 23,5% en 29%. De schijfgrens groeit deels mee met de inflatie. Fiscaal partners kunnen tweemaal profiteren van de eerste tariefschijf. Of het verstandig is om in 2026 dividend uit te keren, is mede afhankelijk van het bestedingsdoel. Niet-uitgegeven dividend valt begin 2027 meteen in box 3. Dat maakt de dividenduitkering weer iets minder gunstig. Let op! Een dividenduitkering heeft mogelijk ook invloed op de algemene heffingskorting. Sinds 2025 bouwt deze heffingskorting niet alleen af met het toenemen van het inkomen in box 1, maar wordt ook rekening gehouden met het inkomen in box 2 en 3. Het kan daardoor voordeliger zijn om het dividend niet te verdelen. Lees meer
Eindejaarstips privé Jaarruimte benutten Premies voor lijfrentevoorzieningen zijn onder voorwaarden aftrekbaar. De premies zijn aftrekbaar voor mensen die op 1 januari niet meer dan vijf jaar ouder zijn dan de AOW-leeftijd. De aftrek is begrensd op 30% van de premiegrondslag. De premiegrondslag is het totaal van de winst uit onderneming, het resultaat uit werkzaamheden, het loon uit dienstbetrekking en de ontvangen periodieke uitkeringen en verstrekkingen in het vorige jaar. De premiegrondslag bedraagt maximaal € 137.800, verminderd met een bedrag van € 19.172 (2027: € 19.845). De aftrekbare premie (jaarruimte) bedraagt maximaal € 35.589 (2027: € 35.387). De jaarruimte wordt verminderd met de opbouw van pensioenaanspraken. Wie in de voorgaande tien jaren de jaarruimte niet of niet geheel heeft benut, kan gebruikmaken van een aanvullende aftrek. Deze zogenoemde reserveringsruimte bedraagt maximaal € 42.753 (2027: € 43.287). Voor tijdelijke oudedagslijfrenten geldt als voorwaarde voor aftrekbaarheid van de premie dat het bedrag van de jaarlijkse uitkering niet hoger mag zijn dan € 27.192 (2027: € 27.532). De uitkeringen mogen niet eerder ingaan dan in het jaar waarin men de AOW-leeftijd bereikt en niet later dan vijf jaar na dat tijdstip. Vermogen overhevelen naar de (klein)kinderen? Als iemand overlijdt, gaat zijn vermogen naar zijn erfgenamen. De erfgenamen moeten over hun aandeel in de nalatenschap erfbelasting betalen. Zonder testament is in veel gevallen de wettelijke verdeling van toepassing. De langstlevende partner verkrijgt de goederen van de nalatenschap en neemt de schulden voor zijn of haar rekening. De kinderen krijgen ieder een geldvordering op de langstlevende ter grootte van hun erfdeel. Voor de partner geldt een hoge vrijstelling van € 828.035 (2027: € 849.564). Let op! Deze vrijstelling wordt verminderd met de waarde van de aan de partner toekomende vrijgestelde pensioenaanspraken. De vrijstelling voor de kinderen is beperkt tot € 26.230 (2027: € 26.912). De wettelijke regeling kan goed uitpakken, maar een testament kan helpen om bij overlijden belasting te besparen. Soms wordt gekozen voor het verschuiven van erfbelasting in plaats van besparen van erfbelasting. Een mogelijke reden hiervoor is dat het geld vastzit, bijvoorbeeld in een huis of in beleggingen. Het kan fiscaal gunstig zijn om ook de kleinkinderen te laten erven, bijvoorbeeld door voor hen legaten op te nemen in het testament. Een kleinkind kan van zijn grootouders een bedrag van € 26.230 (2027: € 26.912) belastingvrij erven. Tip! Laat regelmatig controleren of het testament nog actueel is en past bij de huidige situatie. Geen testament? Overweeg dan om er een op te laten stellen. Gebruik de schenkingsvrijstellingen Door tijdens het leven (een deel van) het vermogen vrijgesteld te schenken aan kinderen, kan de toekomstige heffing van erfbelasting worden beperkt. Naast de jaarlijkse vrijstelling voor een schenking van ouders aan een kind van € 6.908 (2027: € 7.088), bestaat er voor kinderen tussen 18 en 40 jaar eenmalig een verhoogde vrijstelling van € 33.129 (2027: € 33.991). Voor schenkingen aan kleinkinderen geldt een vrijstelling van € 2.769 (2027: € 2.841). Schenken op papier Een schenking op papier houdt in dat een schenker geen geld overdraagt, maar verklaart een bepaald bedrag schuldig te zijn aan de ontvanger. Hierdoor ontstaat een schuld voor de schenker en een vordering voor de ontvanger van de schenking. De schenking vermindert de nalatenschap als daarvan een notariële akte is opgemaakt en elk jaar daadwerkelijk minimaal 6% rente wordt betaald aan de ontvanger. In de schenkingsakte wordt vastgelegd dat de vordering pas opeisbaar is bij het overlijden van de schenker. Dit heeft als voordeel dat er dan minder erfbelasting verschuldigd is. Als de schenking op papier tijdens het leven wordt uitbetaald, bijvoorbeeld na verkoop van het huis, dan is een notariële akte niet per se nodig. Groen beleggen Groen beleggen krijgt in box 3 nu nog een vrijstelling en heffingskorting. In 2026 bedraagt de vrijstelling maximaal € 26.715 (partners € 53.430) en de heffingskorting 0,1% daarvan. Deze voordelen voor groen beleggen zouden per 2027 volledig verdwijnen. De Belastingdienst gaf echter aan dat dit technisch niet uitvoerbaar is. Daarom is de vrijstelling in 2027 verlaagd tot € 200 (partners € 400). De heffingskorting blijft bestaan, maar is door de lage vrijstelling verwaarloosbaar. Per 2028 verdwijnen de vrijstelling en de heffingskorting voor groene beleggingen volledig. Lees meer
Eindejaarstips voor ondernemingen Afbouw Ondernemersaftrek Zelfstandigenaftrek Ondernemers, die voldoen aan het urencriterium, hebben recht op de zelfstandigenaftrek. De zelfstandigenaftrek is niet hoger dan het bedrag van de winst vóór ondernemersaftrek. Sinds 2021 wordt de zelfstandigenaftrek stapsgewijs teruggebracht, naar € 900 in 2027. In 2026 is de aftrek € 1.200. AOW-gerechtigden hebben recht op 50% hiervan. Startersaftrek De startersaftrek is een regeling waardoor een ondernemer, die minder dan vijf jaar ondernemer is (starter), onder voorwaarden maximaal drie jaar recht heeft op een extra aftrekpost van maximaal € 2.123. De startersaftrek wordt per 1 januari 2027 verlaagd tot € 10 en per 1 januari 2028 volledig afgeschaft. In het verlengde hiervan wordt in 2028 ook de regeling willekeurige afschrijving voor starters afgeschaft. Stakings- en meewerkaftrek De stakings- en meewerkaftrek worden in 2027 met 75% versoberd en per 2030 afgeschaft. De stakingsaftrek bedraagt op dit moment € 3.630. Dat wordt € 908 in 2027. De hoogte van de meewerkaftrek is gekoppeld aan het aantal door de partner gewerkte uren. Pseudo-eindheffing fossiele auto Werkgevers, die een auto van de zaak beschikbaar stellen aan werknemers, krijgen vanaf 1 januari 2027 te maken met de pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s (pefa). De pseudo-eindheffing geldt alleen voor personenauto’s met CO₂-uitstoot, zoals benzine-, diesel- en hybride auto's. Elektrische auto’s zijn uitgezonderd. Ook motoren en bestelauto’s vallen buiten de regeling. De heffing bedraagt 12% van de cataloguswaarde, ongeacht het daadwerkelijke privégebruik. Woon-werkverkeer telt dus ook mee. Voor elke maand waarin de auto ten minste één dag ter beschikking is gesteld, is de pseudo-eindheffing voor die gehele maand (1/12e) verschuldigd. Werkgevers mogen de kosten voor deze eindheffing niet verhalen op de werknemers. Voor auto’s ouder dan 25 jaar wordt gekeken naar de waarde in het economisch verkeer. Een voorwaarde voor toepassing van de regel is dat sprake is van een werkgever-werknemerrelatie. In de praktijk betekent dit dat ook dga’s met een auto op de balans onder deze regeling kunnen vallen. De maatregel geldt niet voor de auto van de IB-ondernemer. De pefa is niet van toepassing op een vervangende fossiele personenauto die een werknemer privé gebruikt vanwege onderhoud of reparatie van de vaste auto. Deze uitzondering geldt als de vervangingsperiode maximaal veertien dagen per onderhouds- of reparatieperiode duurt. Een bandenwissel of schadeherstel valt hier ook onder. Ook auto’s met handgeschakelde transmissie, die worden gebruikt voor rijles, worden uitgezonderd van de pefa. Het overgangsrecht, waardoor de pefa niet geldt voor auto’s die vóór 1 januari 2027 voor het eerst ter beschikking zijn gesteld, wordt verlengd tot en met 31 december 2030 (was 16 september). Belastingrente De belastingrente is per 1 januari 2026 weliswaar gedaald, maar blijft hoog. Het rentetarief bedraagt nu 5%. Door een uitspraak van de Hoge Raad geldt dit tarief voor alle belastingen. Een juiste voorlopige aanslag kan voorkomen dat de rente op de definitieve aanslag oploopt. Belastingrente wordt bij de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting berekend wanneer de aanslag op of na 1 juli van het volgende jaar wordt opgelegd. De Belastingdienst berekent geen rente als de aangifte inkomstenbelasting 2026 voor 1 mei 2027 binnen is en zij de gegevens uit de aangifte ongewijzigd overnemen. Voor de aangifte vennootschapsbelasting 2026 is dat 1 juni 2027. Ondernemers kunnen belastingrente ook voorkomen door voor 1 mei om een (aanvullende) voorlopige aanslag te verzoeken. Plan (des)investeringen KIA Ondernemers hebben recht op de investeringsaftrek voor kleinschalige investeringen (KIA). Er gelden wel een aantal voorwaarden, waaronder een minimum investeringsbedrag. Dit bedrag is voor 2026 bepaald op € 2.900. De KIA geldt alleen voor investeringsgoederen waarop moet worden afgeschreven. Dit betekent dat het bedrijfsmiddel minstens € 450 moet kosten. Soms kunnen meerdere kleine investeringen samen een bedrijfsmiddel vormen. Bijvoorbeeld een computer van € 350 met een beeldscherm van € 150, een muis van € 15 en een toetsenbord van € 25 vormen samen één bedrijfsmiddel van € 540. Spreiden of eerder investeren Het percentage aan aftrek is het hoogst als het totaal aan verplichtingen ligt tussen € 2.900 en € 71.683 (namelijk: 28%). Tussen € 71.683 en € 132.746 is de KIA een vast bedrag van € 20.072. In 2027 geldt een vast bedrag van € 20.322 bij een investeringsbedrag tussen € 72.578 en € 134.402. Daarboven wordt de KIA afgebouwd met 7,56% van het deel van het investeringsbedrag dat boven deze grens zit. Het plannen en, waar mogelijk, het spreiden van investeringsverplichtingen loont vaak de moeite. Als het bedrag aan investeringen dit jaar net onder de minimumgrens van € 2.900 zit, dan kan het lonen een voorgenomen investering iets te vervroegen. Het kan zomaar 28% KIA opleveren over het totaal aan investeringsverplichtingen. Om de investeringsaftrek ook daadwerkelijk in de aangifte 2026 mee te kunnen nemen, moet het bedrijfsmiddel in gebruik genomen zijn in 2026 of er moet voldoende aanbetaald zijn. Let op! Betaal in ieder geval 25% van een nog niet in gebruik genomen investering binnen twaalf maanden na het aangaan van de verplichting tot aankoop van het bedrijfsmiddel. Anders is er sprake van een (fictieve) desinvestering en moet de desinvesteringsbijtelling worden toegepast. Desinvesteringsbijtelling Is er in de afgelopen vijf jaar (dus tussen 2022 en 2026) gebruikgemaakt van de investeringsaftrek en wordt het bedrijfsmiddel nu verkocht of ingeruild? Dan kan de desinvesteringsbijtelling van toepassing zijn. In dat geval moet een deel van de aftrek worden terugbetaald. Houd hier rekening mee. Tip! Stel de desinvestering (als dat mogelijk is) uit tot na de vijfjaarstermijn. Horizonbepaling EIA, MIA en Vamil In de wet is een horizonbepaling opgenomen met betrekking tot de Energie-investeringsaftrek (EIA), de Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving milieubedrijfsmiddelen (Vamil). Een horizonbepaling betekent dat een regeling eindig is. Zonder expliciete besluitvorming te zijner tijd vervallen de EIA, MIA en Vamil per 1 januari 2029. Het aftrekpercentage van de EIA stijgt per 1 januari 2027 van 40 naar 45,5. Het budget voor 2027 bedraagt € 454 miljoen. Voor de MIA blijft de aftrek 40%, maar wordt het budget verruimd. Voor 2027 is € 160 miljoen beschikbaar (2026: € 135 miljoen). Lees meer
Eindejaarstips personeel Wtta voor het uitlenen van personeel Vanaf 2027 is een nieuw toelatingsstelsel voor partijen die werknemers uitlenen (uitleners) van kracht. Dit is geregeld in de Wet toelating terbeschikkingstelling arbeidskrachten (Wtta). Uitleners zijn bedrijven die tegen vergoeding werknemers ter beschikking stellen om onder toezicht en leiding van een ander werk te verrichten. Hieronder vallen onder meer uitzendbureaus, detacheerders, payrollbedrijven en bedrijven die incidenteel personeel uitlenen. Collegiale uitleen, waarbij geen winst wordt gemaakt, valt niet onder het toelatingsstelsel. Hetzelfde geldt voor in- en uitleen binnen concernverband. Daarnaast geldt de Wtta voor inleners, oftewel bedrijven die personeel inhuren. Let op! Een bv die haar dga uitleent aan een andere onderneming kan ook onder het toelatingsstelsel vallen. Van 1 november 2026 tot en met 31 december 2026 kunnen uitleners zich aanmelden voor de overgangsregeling. De overgangsregeling is bedoeld voor bestaande uitleners. Zij mogen werknemers blijven uitlenen terwijl de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU) hun aanvraag voor toelating of ontheffing beoordeelt. Dit geldt ook als de NAU op 1 januari 2028 nog geen besluit heeft genomen over de aanvraag. Uitleners kunnen van 1 mei 2027 tot en met 30 juni 2027 toelating aanvragen bij de NAU. Vanaf 1 januari 2028 start de Nederlandse Arbeidsinspectie met handhaven op de naleving van de toelatingsplicht. Reiskostenvergoeding De gerichte vrijstelling voor reiskosten is met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 verhoogd van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. In navolging van deze verhoging worden ook het forfait voor aftrekbare reiskosten voor IB-ondernemers en resultaatgenieters en het forfait voor reiskosten bij specifieke zorgkosten bij ziekenbezoek, weekenduitgaven voor gehandicapten en het forfait voor de giftenaftrek voor de situatie waarin een vrijwilliger afziet van een reiskostenvergoeding verhoogd van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. Werkkostenregeling Vrije ruimte Uitgangspunt van de werkkostenregeling (WKR) is dat alle vergoedingen en verstrekkingen aan werknemers loon vormen, ook als het gaat om kosten die 100% zakelijk zijn. Er is een vrije ruimte waarbinnen vergoedingen en verstrekkingen belastingvrij gegeven kunnen worden. De vrije ruimte bedraagt in 2026 2% over de eerste € 400.000 van de fiscale loonsom en 1,18% over het meerdere. In 2027 stijgt de vrije ruimte naar 2,16% van de eerste € 400.000. Benut waar mogelijk de resterende vrije ruimte van 2026, bijvoorbeeld voor een kerstpakket voor de medewerkers. Personeelskorting Vanaf 1 januari 2027 vervalt de aparte gerichte vrijstelling voor werkgevers die hun werknemers korting verlenen op eigen producten. De korting die aan de werknemer wordt gegeven, wordt dan gezien als regulier loon waarover belasting moet worden betaald. Werkgevers kunnen ervoor kiezen de korting ten laste te brengen van de vrije ruimte. Omdat personeelskorting in veel sectoren (zoals de retail, horeca en reisbranche) is vastgelegd in de cao, kunnen werkgevers de korting niet zomaar afschaffen. Zij moeten de korting dus vergoeden via de WKR of bruto verrekenen met het salaris. In 2026 kunnen werkgevers nog een korting geven op producten uit het eigen bedrijf tot een bedrag van ten hoogste 20%, maar niet meer dan € 500 per werknemer. Minimumjeugdloon omhoog Voor jongeren van 16 tot en met 20 jaar gaat vanaf 1 januari 2027 het percentage van het minimumuurloon omhoog. Het minimumjeugdloon voor studenten in de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) in het middelbaar beroepsonderwijs wordt gelijkgetrokken met het reguliere minimumjeugdloon. Leeftijd 2026 2027 Bedrag 21 jaar 100% 100% € 15,29 20 jaar 80% 87,5% € 13,38 19 jaar 60% 75% € 11,47 18 jaar 50% 62,5% € 9,56 17 jaar 39,5% 50% € 7,65 16 jaar 34,5% 40% € 6,12 15 jaar 30% 30% € 4,59 Bijtelling Voor het privégebruik van een auto van de zaak moet een bijtelling bij het loon van de werknemer worden gedaan. De standaardbijtelling bedraagt 22% van de catalogusprijs van de auto. Voor een in 2026 aangeschafte nieuwe elektrische auto bedraagt de bijtelling 18% over de eerste € 30.000 van de catalogusprijs. Voor het meerdere geldt de reguliere bijtelling van 22%. Deze bijtellingspercentages gelden voor in het kalenderjaar nieuw aangeschafte auto’s en gelden gedurende 60 maanden. Vanaf 2027 bedraagt de bijtelling 20% over de eerste € 30.000 van de catalogusprijs. Voor het meerdere geldt de reguliere bijtelling van 22%. Voor auto’s van voor 2017 bedraagt de standaardbijtelling niet 22 maar 25%. Youngtimer Werknemers die een oudere zakelijke auto (youngtimer) rijden betalen een bijtelling van 35% over de dagwaarde van de auto in plaats van 22% bijtelling over de nieuwprijs. Dit resulteert vaak in een aanzienlijk lager bijtellingsbedrag, aangezien de dagwaarde doorgaans lager is dan de oorspronkelijke cataloguswaarde. Vanaf 1 januari 2027 geldt de youngtimerregeling voor auto’s vanaf 17 jaar (in 2026 was dat vanaf 16 jaar en in de jaren daarvoor 15 jaar). Vanaf 1 januari 2028 geldt de regeling voor auto’s vanaf 20 jaar. Dat leidt dus tot het wegvallen van de youngtimerregeling voor auto’s die in 2027 de leeftijdsgrens van 17, 18 of 19 jaar hebben overschreden. De eerdere verhoging van de leeftijd naar 25 jaar gaat niet door. Fiets Als een werknemer een fiets ter beschikking heeft gekregen van zijn werkgever, dan moet voor het privégebruik van de fiets een bijtelling bij het loon plaatsvinden. Er geldt een forfaitaire bijtelling van 7% van de cataloguswaarde van de fiets op jaarbasis. De regeling geldt voor gewone fietsen, e-bikes en speedpedelecs, ongeacht of de werknemer de fiets daadwerkelijk privé gebruikt. Tip! Als de fiets niet of hooguit incidenteel (minder dan 10%) bij de woning van de werknemer wordt gestald, bedraagt de bijtelling nihil (met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2020). Start-ups en scale-ups Start-ups en scale-ups hebben vaak niet de financiële middelen om werknemers een (internationaal) concurrerend salaris te bieden. Aandelenopties, internationaal de meest gebruikte vorm van participatie in de start-upsector, kunnen mogelijk een deel van dit gat dichten. Het biedt meer mogelijkheden om talent dat in een start-up of scale-up wil werken over te halen een lager salaris te accepteren in ruil voor het delen in de potentiële groei. Het verkrijgen van aandelen zorgt ervoor dat medewerkers meer gebonden zijn aan het bedrijf en minder snel weer vertrekken. Vanaf 2027 geldt een lagere loonheffing op het inkomen uit aandelenopties voor werknemers van start-ups en scale-ups. De vrijstelling van deze aandelen in box 3 moet per 1 januari 2028 ingaan. De voorgestelde lagere heffing is zo vormgegeven, dat de grondslag van het inkomen uit aandelenoptierechten wordt versmald tot 65%. Daardoor is het effectieve tarief ongeveer gelijk aan wat de heffing zou zijn als de aandelenoptierechten in box 2 zouden zijn belast. Deze maatregel wordt toegepast op aandelenopties die zijn uitgegeven sinds de bekendmaking van de fiscale regeling in de Voorjaarsnota van 2025, mits zij de loonsfeer nog niet hebben verlaten. Voorwaarde voor toepassing van de regeling is dat het aandelenoptierecht of de bij uitoefening daarvan verkregen aandelen niet binnen twee jaar na toekenning mogen worden vervreemd. Deze voorwaarde geldt niet bij een eerdere verkoop of beursgang van de onderneming, omdat een werknemer in die situatie veelal gedwongen is zijn aandelen en optierechten te verkopen. Versobering ETK en 30%-regeling Voor werkgevers bestaat de mogelijkheid om werknemers de extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst in het kader van de dienstbetrekking onbelast te vergoeden. Voor de onbelaste vergoeding van deze kosten zijn er twee regelingen: een forfaitaire regeling (de expat- of 30%-regeling) en een regeling op basis van de werkelijke extraterritoriale kosten (de ETK-regeling). Sinds 1 januari 2026 kunnen de volgende werkelijke kosten niet langer onbelast worden vergoed: extra kosten van levensonderhoud (maaltijden, gas, water, licht, etc.); extra gesprekskosten met het land van herkomst. De expatregeling blijft grotendeels onaangetast, behalve de eerder aangekondigde verlaging van het forfaitaire percentage van 30 naar 27 per 1 januari 2027. Ook gaat vanaf 1 januari 2027 een hogere salarisnorm gelden om in aanmerking te komen voor de 27%-regeling. De salarisnormen zijn dan € 53.887 voor reguliere werknemers en € 40.961 voor werknemers jonger dan 30 jaar met een kwalificerende masteropleiding. Werknemers die de expatregeling al vóór 1 januari 2025 toepasten, behouden de "oude" (huidige) salarisnormen van respectievelijk € 49.262 en € 37.446. Lees meer
Novelle uitbreiding vermogenswinstbelasting box 3 per 2029 Het kabinet wil het nieuwe box 3-stelsel ingrijpend aanpassen. In een novelle op het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wordt voorgesteld om niet alleen vastgoed, maar ook vrijwel alle financiële beleggingen onder een vermogenswinstbelasting te brengen. Tegelijkertijd wordt de invoering van het nieuwe stelsel een jaar uitgesteld naar 1 januari 2029. Vermogensaanwasbelasting Het oorspronkelijke wetsvoorstel gaat uit van een hybride systeem. Vastgoed en aandelen in start- en scale-ups vallen onder een vermogenswinstbelasting, terwijl voor de meeste andere beleggingen een vermogensaanwasbelasting zou gelden. Daarbij wordt niet alleen belasting geheven over ontvangen rente en dividend, maar ook over jaarlijkse waardestijgingen, ongeacht of deze al zijn gerealiseerd. Tijdens de behandeling in de Eerste Kamer blijkt voor die aanpak onvoldoende politiek draagvlak te bestaan. Het kabinet kiest daarom voor een andere richting. Financiële instrumenten zoals aandelen, obligaties, opties en andere beursgenoteerde beleggingen moeten voortaan net als vastgoed onder een vermogenswinstbelasting vallen. Dat betekent dat waardestijgingen pas worden belast wanneer een belegging wordt verkocht. Nieuwe box 3 vanaf 2029 Aanvankelijk was invoering voorzien per 2028. De Belastingdienst, de Raad van State en financiële instellingen hebben echter aangegeven dat die datum niet haalbaar is. Daarom stelt het kabinet voor het nieuwe box 3-stelsel een jaar later in werking te laten treden. Dat betekent dat ook in 2028 het huidige forfaitaire box 3-stelsel met tegenbewijsregeling van toepassing blijft. Vermogenswinstbelasting De voorgestelde uitbreiding ziet op vrijwel alle financiële instrumenten. Hieronder vallen onder meer: aandelen; obligaties; opties; futures; swaps; rechten van deelneming in beleggingsfondsen; niet-verhandelbare aandelen en winstbewijzen. Voor bestaande beleggingen wordt een belangrijke overgangsregel voorgesteld. De verkrijgingsprijs wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer op 1 januari 2029. Waardestijgingen die vóór die datum zijn ontstaan, blijven daardoor buiten de heffing. Niet alles gaat direct mee Een aantal vermogensbestanddelen blijft voorlopig onder de vermogensaanwasbelasting vallen. Dat geldt onder meer voor: banktegoeden; directe cryptobezittingen; particuliere vorderingen en schulden; verzekeringsproducten; vreemde valuta; overige beleggingsobjecten. Volgens het kabinet is dit een tijdelijke situatie. Het uiteindelijke doel blijft een volledige vermogenswinstbelasting voor alle box 3-vermogensbestanddelen. De verwachting is dat deze tweede stap vanaf 2030 mogelijk wordt. Dekking via box 2 De overgang naar een vermogenswinstbelasting kost de schatkist geld. Om die derving op te vangen, kiest het kabinet voor aanpassingen in box 2. De meest opvallende maatregel betreft excessief lenen van de eigen bv. De huidige grens van € 500.000 wordt vanaf 2027 jaarlijks met € 80.000 verlaagd. Uiteindelijk resteert per 2031 een grens van € 100.000. Als tegemoetkoming worden de box 2-tarieven tijdelijk verlaagd. Het tarief van de eerste schijf daalt van 24,5% naar 23,5% en het tarief van de tweede schijf van 31% naar 29%. Deze verlaging geldt van 2027 tot en met 2030. Lees meer
Derde nota van wijziging Belastingplan 2027 Het kabinet heeft een derde nota van wijziging op het Belastingplan 2027 naar de Tweede Kamer gestuurd. De stemming in de Tweede Kamer staat gepland voor 12 november. In de derde nota van wijziging zijn de volgende maatregelen opgenomen: wijziging aftrek specifieke zorgkosten verlaagd btw-tarief sierteelt aanpassing tabelcorrectiefactor Specifieke zorgkosten De aftrek specifieke zorgkosten wordt niet per 1 januari 2028 afgeschaft, maar zal in een gerichtere vorm worden voortgezet, zonder vastgestelde einddatum. Het kabinet werkt aan een alternatief dat de regeling in 2030 kan vervangen. Er is geen eenduidige en bruikbare definitie van de doelgroep chronisch zieken en mensen met een beperking en ook niet van de subgroep daarbinnen van degenen met structureel hoge meerkosten. Er wordt daarom op twee manieren voorgesteld om de aftrek specifieke zorgkosten gerichter te maken. Ten eerste wordt voorgesteld een aantal uitgaven niet langer voor aftrek in aanmerking te laten komen en ten tweede de inkomensafhankelijke drempels te verhogen. Er wordt voorgesteld om het eerste drempelpercentage te verhogen van 1,65 naar 1,7 en het tweede van 5,75 naar 6,5. Onder meer de volgende uitgaven komen niet langer voor aftrek in aanmerking: steunzolen, (reis)vaccins, tandartskosten, gehoorapparaten, pacemakers, protheses, verpleging in een ziekenhuis en alternatieve geneeswijzen, zoals behandeling door de osteopaat of chiropractor en homeopathische geneesmiddelen. Verlaagd btw-tarief sierteelt Het kabinet heeft besloten om de afschaffing van het verlaagde btw-tarief voor sierteelt uit het wetsvoorstel Belastingplan 2027 te halen en de besluitvorming uit te stellen naar het Belastingplan 2028. Aanpassing tabelcorrectiefactor De tabelcorrectiefactor voor het kalenderjaar 2027 wordt voor bepaalde bedragen in de loon- en inkomstenbelasting minder beperkt toegepast. De toepassing vindt daardoor niet meer voor 48% plaats, maar voor 59,8%. De uit die beperking van de wettelijke inflatiecorrectie voortvloeiende inflatiecorrectie per 1 januari 2027 is 1,015548. Lees meer
Heldere foto’s dragen een aanslag reclamebelasting Een ondernemer met een autobedrijf in Kampen krijgt een aanslag reclamebelasting. Hij ontkent dat er reclame te zien is, maar controleurs van de gemeente hebben duidelijke foto’s. In Groningen krijgt een andere vennootschap een aanslag voor 3,45 m² reclame en vier reclamevoorwerpen. Daar is onduidelijk welke meters bij welke uiting horen en van de vier voorwerpen blijft alleen een deurmat over. De aanslag in Kampen blijft staan, die in Groningen sneuvelt volledig. Hoe komt dit? Niets te zien? Het autobedrijf in Kampen zit op twee adressen naast elkaar, onder twee namen en met één toegangsweg. Controleurs bekijken beide panden in december 2024, april 2025 en mei 2025 vanaf de openbare weg. De door hen gemaakte foto’s vormen de basis voor de aanslag. Volgens de ondernemer is er geen reclame zichtbaar en ontbreekt elk bewijs. Hij wil bovendien de aanslagen over 2022, 2023 en 2024 aanvechten. Na zijn afgewezen bezwaren gaat hij echter niet in beroep, dus die aanslagen staan vast. Vlaggen buiten het hek Reclamebelasting treft openbare aankondigingen: mededelingen die vanaf de openbare weg zichtbaar zijn en de aandacht van het publiek willen trekken. Een reclamedoel is volgens de rechtbank niet nodig. Zelfs een waarschuwingsbord langs de snelweg telt mee. De foto’s tonen een naambord op de gevel en op een deur de tweede bedrijfsnaam met ‘ingang receptie’. Buiten het hek hangen vlaggen met logo en bij de toegangsweg staan naamborden. Daar zet de ondernemer alleen een ontkenning tegenover. Die weegt niet op tegen de foto’s, dus de aanslag in Kampen blijft staan. Gissen naar meters Groningen telt de oppervlakte van alle aankondigingen samen en stelt de eerste 2 m² vrij. Bij losse letters telt een denkbeeldige rechthoek om de tekst. Een banier, een poster en teksten op een deur en een raam komen in het dossier op 3,45 m². Welke maat waarbij hoort, blijft gissen. Ook de foto’s en de heffingsambtenaar brengen geen helderheid. Volgens de rechtbank is waarschijnlijk de hele deur gemeten (2,5 m²) en dat zou onjuist zijn. Een totaal boven de vrijstelling is daarom niet aannemelijk. En dan de deurmat Ook de aanslag voor de reclamevoorwerpen houdt geen stand. Een reclamevoorwerp zit volgens de verordening niet vast aan een gebouw, zodat de vier aankondigingen niet meetellen. Duidelijk benoemd is alleen een deurmat met de naam van het hotel waarvoor hij ligt. Omdat in de verordening het eerste voorwerp is vrijgesteld, doet het er niet toe hoe lang die mat er ligt. Lees meer
Liquidatie bv leidt tot navordering pensioen en stamrecht Een dga liquideert in februari 2020 zijn bv, waarin een pensioenaanspraak in eigen beheer en een stamrecht aanwezig zijn. De bv heeft op dat moment een vordering van € 117.190 op de dga. In zijn aangifte 2020 vermeldt de dga geen inkomen uit stamrecht. De inspecteur stelt dat de dga het pensioen- en stamrecht heeft prijsgegeven. Omdat slechts € 117.190 daarvan voor verwezenlijking vatbaar is (door verrekening met de vordering), is alleen dat bedrag tot het inkomen gerekend. De inspecteur legt hiervoor een navorderingsaanslag op. Nieuw feit De dga stelt dat er geen sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en dat de inspecteur eerder onderzoek had moeten doen. Ook vindt hij dat de berekende waarde van het pensioenrecht niet reëel is, omdat er geen geld meer in de bv zit. De rechtbank oordeelt dat de liquidatie van de bv een nieuw feit vormt, omdat de inspecteur pas na de vpb-aangifte van de bv over de benodigde informatie beschikte. De dga heeft de vereiste aangifte niet gedaan, omdat hij de waarde van het stamrecht niet heeft aangegeven. Hij was door zijn adviseur gewaarschuwd dat hij niet van de bv af kon vanwege het stamrecht, maar heeft ervoor gekozen de bv desondanks te liquideren. Hierdoor wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. De inspecteur heeft de navorderingsaanslag op een redelijke schatting gebaseerd, welke de dga niet overtuigend heeft kunnen weerleggen. Arbeidsongeschiktheid Onder bepaalde voorwaarden kan een aanspraak op lijfrente geheel of gedeeltelijk worden afgekocht, zonder dat revisierente verschuldigd is. Een van die voorwaarden is dat de belastingplichtige langdurig arbeidsongeschikt is. De dga betoogt dat er ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn arbeidsongeschiktheid, net zoals bij de afkoop van een lijfrente. De rechtbank volgt dit betoog niet. Er is hier geen sprake van 'afkoop', maar van 'prijsgeven'. De wettekst biedt geen ruimte voor de door de dga voorgestane ruime uitleg. Ook maakt hij niet aannemelijk dat de revisierente voor hem een buitensporige last vormt. Lees meer
Parkeerbelasting bij ophalen klein pakketje Een man parkeert zijn auto op een parkeerplaats waar parkeerbelasting verschuldigd is. Hij betaalt deze echter niet, omdat zijn dochter alleen maar even een pakketje hoeft op te halen bij het nabijgelegen afhaalpunt. De man blijft ondertussen zelf in de auto zitten met de alarmlichten aan. Laden en lossen De man is het er niet mee eens dat hij hiervoor een naheffingsaanslag parkeerbelasting krijgt. Volgens hem is er geen sprake van parkeren, maar van laden en lossen. Ter onderbouwing toont hij een kassabon met hetzelfde tijdstip als de naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar vindt de naheffingsaanslag terecht opgelegd, omdat sprake was van parkeren. Definitie van parkeren Volgens de wet is parkeren het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten stilstaan van een voertuig, anders dan de tijd die nodig is voor het onmiddellijk in- en uitstappen van personen of het onmiddellijk laden en lossen van zaken. Van onmiddellijk laden en lossen is alleen sprake bij het daadwerkelijk plaatsen van goederen in of het nemen van goederen uit het voertuig. Als een voertuig stilstaat gedurende de tijd dat iemand bezig is met het ophalen of afleveren van zaken, is geen sprake van onmiddellijk laden en lossen, maar van parkeren, ongeacht hoe lang of hoe kort het voertuig stilstaat. Klein pakketje Bij de beoordeling of sprake is van laden en lossen, is van belang of het stilstaan van een voertuig noodzakelijk is voor het onmiddellijk laden of lossen van zaken. Hierbij speelt de omvang of het gewicht van de zaken een rol. In dit geval ging het om een klein pakketje, een USB-adapter. Het ophalen van zo'n klein pakketje kwalificeert niet als laden en lossen. Het feit dat de man in de auto zat met de alarmlichten aan, verandert hier niets aan. Aangezien er geen parkeerbelasting is voldaan, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd en is het beroep van de man ongegrond. Lees meer
Werkgever mag verplichte kantoordagen invoeren Een werkgever wil zijn werknemers verplichten om minimaal 40% van hun werktijd op kantoor aanwezig te zijn. De ondernemingsraad (OR) stemt niet in met dit nieuwe beleid. De werkgever stapt daarop naar de rechter om vervangende toestemming te vragen voor de invoering van het beleid. De rechter vindt het niet onredelijk om medewerkers te verplichten om 40% van hun werktijd op kantoor te zijn. Verplicht op kantoor De werkgever hanteert tot 2020 een beleid waarbij werknemers volledig op kantoor werken. Door de coronamaatregelen in 2020 moeten werknemers noodgedwongen thuiswerken. Na de pandemie start de werkgever in februari 2022 een pilot voor hybride werken, waarbij werknemers worden aangemoedigd om een deel van hun werktijd op kantoor door te brengen. Sinds 1 juli 2023 geldt een beleid dat werknemers aanmoedigt om ten minste 40% van hun werktijd op kantoor te zijn. Uit metingen blijkt echter dat over een periode van een jaar (derde kwartaal 2024 tot en met derde kwartaal 2025) slechts 27% van de werknemers deze aanbeveling opvolgt. Dit is voor de werkgever aanleiding om het beleid aan te passen naar een verplichting. Redelijke balans De werkgever stelt dat het verplichte beleid een redelijke balans biedt tussen kantoor- en thuiswerken. Het bevordert de bedrijfscultuur, onderlinge verbinding, opleiding en ontwikkeling, en effectieve samenwerking tussen teams. Omdat de vrijblijvende regeling niet werkt, is verplichte aanwezigheid een redelijk middel. De werkgever heeft het oorspronkelijke voorstel van 50-60% verplichte aanwezigheid al verlaagd naar 40% en een overgangsperiode van zes maanden ingesteld, inclusief een hardheidsclausule voor werknemers die in problemen komen. Ook wijst de werkgever op zijn beleidsvrijheid en instructierecht. De OR vreest grote nadelen voor werknemers, zoals extra reistijd en -kosten, negatieve impact op zorgtaken en gezondheid. Een enquête onder werknemers toont aan dat 87,1% tevreden is met het huidige vrijblijvende beleid. Ook is de OR kritisch over de controle op aanwezigheid via netwerkgegevens, wat zij ziet als disproportioneel. Redelijk belang De rechter oordeelt dat de werkgever een redelijk belang heeft bij de verplichting om werknemers ten minste 40% van hun werktijd op kantoor te laten komen. Het is aannemelijk dat fysiek contact op kantoor bijdraagt aan onderlinge verbinding, opleiding, ontwikkeling en effectieve samenwerking. Omdat aanmoediging tot nu toe niet heeft gewerkt, is verplichte aanwezigheid een redelijk middel. De rechter weegt mee dat de werkgever beleidsvrijheid heeft en dat werknemers redelijke aanwijzingen moeten opvolgen. De rechter stelt vast dat de werkgever voldoende oog heeft gehad voor de nadelen voor individuele werknemers door aanpassingen te doen, zoals de verlaging van het percentage en de invoering van een overgangsperiode en een hardheidsclausule. Wel moet de werkgever zorgen voor voldoende werkplekken. De rechter concludeert dat de OR in redelijkheid zijn instemming niet kon weigeren. De werkgever krijgt daarom vervangende toestemming om de beleidswijziging door te voeren. Lees meer
Hof stelt eisen aan navordering na klikbrief Wie voor een bestelbus geen bijtelling aangeeft, moet dat standpunt goed kunnen onderbouwen. Dat ondervond een hovenier die na een anonieme klikbrief te maken kreeg met een boekenonderzoek. De inspecteur mocht zelfs navorderen over een jaar waarin hij de aangifte ten onrechte automatisch had laten afhandelen, omdat de ondernemer te kwader trouw was. Bus met bijrijdersbank Volgens de hovenier is zijn bus door aard en inrichting nagenoeg uitsluitend geschikt voor goederenvervoer. Hij wijst op de grootte, het gewicht en het vuil. Het hof is niet onder de indruk. Op een foto van Marktplaats staat gewoon een bijrijdersbank. De verklaringen over die bank spreken elkaar tegen. Eerst is hij verwijderd, dan teruggeplaatst voor de verkoop en ten slotte juist nodig voor een collega die trilplaten tilt. De bijtelling (van € 7.249) blijft staan. Klikbrief als nieuw feit Over 2016 is de zaak eenvoudig. De aanslag volgt in oktober 2017 de aangifte en de klikbrief komt pas in december 2018. Het boekenonderzoek leert dat de rittenadministratie pas op 11 juli 2016 begint. Dat is een nieuw feit. Over 2017 ligt het anders. De klikbrief ligt dan al vijf maanden op het bureau. Toch laat hij de aangifte automatisch afhandelen. Dat is een ambtelijk verzuim en daarmee ontbreekt het nieuwe feit voor navordering. Kwade trouw Bij kwade trouw mag de inspecteur ook zonder nieuw feit navorderen. Volgens zijn eigen rittenregistratie rijdt de hovenier in 2017 minstens 744 kilometer privé. Hij weet dus dat hij een bijtelling moet aangeven. In bezwaar schrapt de inspecteur de vergrijpboete over 2017. Volgens de hovenier vervalt daarmee ook de kwade trouw. Het hof ziet dat anders. Een geschrapte boete staat een beroep op kwade trouw niet in de weg. Lees meer
Gratis werken toch belast Een vrachtwagenchauffeur werkt in 2019 en 2020 bijna gratis voor de bv van zijn zoon en dochter. Hij is persoonlijk failliet en alles wat hij verdient gaat naar de curator. Daarom wil hij geen inkomen op eigen naam. De inspecteur belast hem toch voor ruim € 64.000 per jaar en legt een boete op van € 6.828. Het hof geeft de inspecteur gelijk over het inkomen, maar schrapt de boete. Rijden voor de kinderen De vrachtwagenchauffeur en zijn vrouw gaan in oktober 2016 failliet. Twee maanden later richten hun kinderen een bv op. De bv heeft een paardenpension, een mesthandel en een transporttak. De vader rijdt als chauffeur voor andere transportbedrijven. Ook maakt hij de facturen op en sluit hij de contracten af. In twee jaar krijgt hij in totaal maar € 5.176 loon. De bv stuurt de rekening voor zijn ritten zelf naar de klanten. In 2019 levert dat € 64.659 op, in 2020 zelfs € 201.001. Geen loon, wel inkomen De inspecteur vindt eerst dat de omzet eigenlijk van de vader is. Dat wijst het hof af. Iedereen wil juist dat het geld naar de bv gaat en zo is het ook geregeld. Toch is het chauffeurswerk een bron van inkomen. Hij doet mee in het zakenleven en zijn werk levert normaal gesproken geld op. Een gewone baan is het niet, want niemand geeft hem opdrachten. Het hof belast zijn werk daarom als resultaat uit overige werkzaamheden. Daarbij geldt dezelfde regel als voor ondernemers: wie familie bewust te goedkoop helpt, wordt belast alsof hij een normale prijs vraagt. Familie gaat voor De vader wijst op een oud arrest van de Hoge Raad. Wie een ander uit persoonlijke motieven iets gunt, wordt daar meestal niet voor belast. Maar datzelfde arrest maakt een uitzondering voor bijzondere gevallen. Dit is zo'n geval, zegt het hof. Het geld komt rechtstreeks uit zijn werk en hij laat het aan de bv van zijn kinderen. Hij zegt zelf dat hij voor een ander niet gratis zou werken. Een normale beloning voor zijn rol is volgens het hof ten minste € 70.000 per jaar. De correctie van de inspecteur is volgens het hof dus niet te hoog. Wel inkomen, geen boete De boete gaat wel van tafel. Het hof is van mening dat er sprake is van een pleitbaar standpunt. De rechtspraak zegt weinig over wanneer zo'n uitzondering van toepassing is. De vader mag daarom redelijkerwijs denken dat hij alleen het geld hoeft op te geven dat hij echt ontvangt. Lees meer
Rechter mag een te late machtiging negeren Een adviesbureau dient op 22 juli 2024 hoger beroep in tegen een naheffing van de belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm). Het adviesbureau stuurt een machtiging mee die al ruim drie jaar oud is. Het hof vraagt een machtiging van hooguit drie maanden oud en geeft het bureau daarvoor tot 3 september 2024. De nieuwe machtiging komt pas op 6 september binnen, zonder uitleg. Volgens de Hoge Raad heeft het hof de zaak daarom terecht laten liggen. Ook het Europese recht verandert daar niets aan. Te laat is te laat Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het behandelt de zaak dus niet inhoudelijk. Het bureau gaat daartegen in verzet, een soort bezwaar bij hetzelfde hof. Dat verzet strandt, omdat het bureau geen reden geeft voor de vertraging. Bij de Hoge Raad gooit het bureau het over een Europese boeg. Iedereen heeft volgens het Handvest van de grondrechten van de EU recht op toegang tot de rechter. Het hof houdt volgens het bureau onnodig streng vast aan termijnen. Ook vraagt het bureau de Hoge Raad om vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie. Wie zit aan tafel? Alleen de belastingplichtige zelf mag tegen zijn aanslag procederen, maar hij mag zich wel laten vertegenwoordigen. Is die vertegenwoordiger geen advocaat, dan mag de rechter om een schriftelijke machtiging vragen. Een advocaat valt onder eigen beroepsregels en hoeft geen machtiging te overhandigen. De rechter mag daarbij om een recente machtiging vragen, zonder uit te leggen waarom. Komt die machtiging niet op tijd binnen, dan mag de rechter het beroep laten liggen. Voorwaarde is wel dat er een redelijke termijn is gegeven voor het herstellen van het gebrek en dat de vertraging niet te verontschuldigen is. Europa helpt niet Europa laat de procesregels grotendeels over aan de lidstaten. Die regels mogen alleen niet strenger zijn dan bij gewone Nederlandse zaken en mogen procederen niet praktisch onmogelijk maken. Volgens de Hoge Raad blijft de eis van een machtiging daarbinnen. Die eis zorgt ervoor dat alleen wie echt bevoegd is een zaak voert. Voor een professionele adviseur is een machtiging binnen een redelijke termijn bovendien goed te regelen. Vragen aan het Europese Hof zijn dus niet nodig. Lees meer
Vordering op kind geen banktegoed voor box 3 Een vrouw geeft in haar aangifte een aanzienlijk bedrag aan bezittingen aan, waaronder hypothecaire geldleningen aan haar kinderen. De inspecteur merkt deze aan als overige bezittingen, wat leidt tot een geschil over de juiste kwalificatie. Bezittingen en de aanslag De vrouw geeft voor 2021 een totaal van € 1,5 miljoen aan bezittingen op. Dit omvat onder meer twee hypothecaire geldleningen aan haar kinderen met een rente van 2,5% per jaar. De inspecteur stelt de definitieve aanslag vast, waarbij de vorderingen als overige bezittingen zijn aangemerkt met een rendement van 5,69%. De vrouw stelt dat de vorderingen als banktegoeden moeten worden gezien, omdat zij kenmerken bezitten van spaartegoed. Zij wijst daarbij op het lage risico, de zekerheid via het gevestigde hypotheekrecht, het niet aanwezig zijn van een winststreven en de regelmatige rente-inkomsten. Voor banktegoeden geldt in 2021 een rendement van 0,01%. Geen deposito Het hof oordeelt echter dat de vorderingen niet voldoen aan de definitie van een 'deposito' volgens de Wet op het financieel toezicht, waarnaar de Wet rechtsherstel box 3 verwijst. Een vergelijking met VvE-reservefondsen, die voor 2021 ook als overige bezittingen golden, gaat niet op. Ook is er geen sprake van verboden discriminatie, omdat het risicoprofiel en de onderhandelingsruimte bij vorderingen wezenlijk afwijken van banktegoeden. Werkelijk rendement onbekend Nu de vorderingen niet als banktegoed worden aangemerkt, betoogt de vrouw dat nader rechtsherstel moet worden geboden. De heffing zou hoger zijn dan het werkelijke rendement. Het hof oordeelt dat de vrouw dit niet aannemelijk maakt, omdat zij geen inzicht verschaft in de waardeontwikkeling van haar beleggingsportefeuille. Daarom faalt ook dit standpunt. Lees meer
Stichting verantwoordelijk voor loonbelasting van verpacht restaurant Een stichting huurt een pand waarin een restaurant is gevestigd. Op papier is het restaurant verpacht aan verschillende vennootschappen, waaronder een Engelse onderneming en een Nederlandse bv. Volgens de stichting zijn deze pachters verantwoordelijk voor de exploitatie en het personeel. Daarom meent de stichting dat zij geen werkgever is en dus geen loonheffingen hoeft af te dragen. De Belastingdienst denkt daar anders over en legt naheffingsaanslagen op tegen het anoniementarief. Naheffing Het hof stelt vast dat de stichting zelf de inkomsten uit het restaurant ontvangt en ook de lonen van het personeel betaalt. Bovendien is niet gebleken dat met de pachters een daadwerkelijke financiële afrekening heeft plaatsgevonden. Daarom acht het hof aannemelijk dat het restaurant feitelijk voor rekening en risico van de stichting wordt geëxploiteerd. De stichting is daardoor inhoudingsplichtig voor de loonheffingen van het personeel. Anoniementarief Daarnaast oordeelt het hof dat het anoniementarief terecht is toegepast. De loonadministratie van de pachters kan niet aan de stichting worden toegerekend. De stichting heeft geen eigen loonadministratie bijgehouden, waarin de relevante gegevens van de werknemers zijn opgenomen. Daardoor is sprake van nettoloonbetalingen aan anonieme werknemers. Lees meer
Grenzen aan herstel ambtelijk verzuim gebruikelijk loon via LB Een broer en zijn zus bezitten in 2020 ieder de helft van de aandelen in een bv. De zus verricht werkzaamheden voor de bv via haar eenmanszaak. De broer is dga en verricht zijn werkzaamheden voor de bv deels in loondienst en deels via zijn eenmanszaak. Op 24 december 2022 legt de inspecteur aan de zus een navorderingsaanslag IB 2020 op, maar daarin neemt hij geen gebruikelijk loon op. Gebruikelijk loon De inspecteur stelt vervolgens boekenonderzoeken in bij de bv naar de loonheffingen (LB) over 2019 en 2020. Uit deze onderzoeken blijkt dat het gebruikelijk loon van zowel de zus als de broer niet correct is vastgesteld. Voor de zus concludeert de inspecteur dat haar gebruikelijk loon € 34.125 bedraagt. Voor de broer concludeert hij dat zijn loon moet worden verhoogd met € 23.333 naar € 46.000. De bv krijgt een correctieverplichting opgelegd. Omdat zij daar niet aan voldoet, legt de inspecteur op 23 februari 2023 een naheffingsaanslag LB op aan de bv. Ambtelijk verzuim bij zus In de zaak van de zus stelt het hof vast dat de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan door het gebruikelijk loon niet mee te nemen in de navorderingsaanslag IB 2020. Vanaf dat moment is de inspecteur niet langer bevoegd om over dit gebruikelijk loon na te vorderen bij de zus. De naheffingsaanslag LB die de inspecteur vervolgens aan de bv oplegt, vormt een poging om dit alsnog te corrigeren. Het hof oordeelt dat de wet voorkomt dat de Belastingdienst een ambtelijk verzuim in de IB, waardoor navordering niet meer mogelijk is, via een omweg kan herstellen door alsnog een naheffingsaanslag LB op te leggen aan de inhoudingsplichtige, de bv. Correctie bij broer In de zaak van de broer oordeelt het hof dat de inspecteur wél bevoegd is om een naheffingsaanslag voor het aanvullende gebruikelijk loon op te leggen. Volgens het hof leidt het feit dat het gebruikelijk loon niet is gecorrigeerd in de aanslag van de broer niet automatisch tot een ambtelijk verzuim. De inspecteur mag uitgaan van de juistheid van de aangifte, tenzij daarover redelijke twijfel bestaat. Daarvan is in dit geval geen sprake. Lees meer
Cashbonus ipv aandelenrechten: mag een voorziening? Vijf werknemers krijgen van de Franse moedervennootschap van hun werkgever voorwaardelijke rechten op aandelen. Zij ontvangen die aandelen alleen als zij na vier jaar nog in dienst zijn én aan bepaalde prestatiedoelen voldoen. Voordat de voorwaarden zijn vervuld, vindt een overname plaats. De nieuwe eigenaar doet de werknemers een voorstel: lever de voorwaardelijke aandelenrechten in en ontvang daarvoor een cashbonus. De cashbonus is niet gekoppeld aan de aanwezigheid in het bedrijf, prestaties of andere voorwaarden. Alle werknemers accepteren dit aanbod. Daardoor krijgen zij uiteindelijk geen aandelen, maar een bonus van in totaal ruim € 630.000, uit te betalen in 2016 en 2018. Achteraf blijkt dat bij geen van de vijf werknemers zou zijn voldaan aan de voorwaarden om de rechten op aandelen onvoorwaardelijk te doen worden. Voorziening De Nederlandse werkgever wil deze toekomstige kosten al in 2015 verwerken door een fiscale voorziening te vormen. De inspecteur wijst dit verzoek af. Volgens hem valt de regeling onder de wettelijke aftrekbeperking voor aandelen- en optieregelingen. Die bepaling voorkomt dat een onderneming de kosten van aan werknemers toegekende aandelen of optierechten van de winst aftrekt. Volgens de inspecteur maakt het daarbij niet uit dat de rechten nog onder voorwaarden zijn toegekend. Aftrekbeperking De Hoge Raad ziet dat anders. Volgens de Hoge Raad ontstaat pas een daadwerkelijk aandelen- of optierecht als aan de opschortende voorwaarden is voldaan. Zolang dat niet gebeurt, kunnen werknemers hun rechten niet afdwingen. In deze zaak worden de voorwaardelijke rechten al eerder ingeruild voor een cashbonus. De voorwaarden worden dus nooit vervuld. Daardoor ontstaat fiscaal gezien nooit een aandelen- of optierecht waarop de aftrekbeperking van toepassing is. Cashbonus De cashbonus is daarom geen aandeelhouderslast die niet aftrekbaar is, maar een gewone ondernemingsuitgave. De werkgever mag hiervoor een voorziening vormen en die ten laste van de winst brengen. Lees meer
Uitkeringen lijfrente terecht in box 1 Een man ontvangt uitkeringen uit meerdere lijfrenteverzekeringen. De inspecteur belast deze bedragen in box 1, wat leidt tot een geschil over de juiste fiscale behandeling. De man had een 'Hoogrentende Spaarpot Polis' en twee andere verzekeringen met een lijfrenteclausule. In 2019 ontvangt hij uitkeringen van € 49.119, € 21.968 en € 7.025. De inspecteur neemt deze bedragen op in box 1 van de inkomstenbelasting. De man is van mening dat de uitkeringen in box 3 belast moeten worden, omdat het beleggingsproducten betreft. Ook wil hij dat de saldomethode wordt toegepast, waardoor alleen het deel boven de betaalde premies wordt belast. Box 1 en saldomethode Het hof oordeelt dat de verzekeringen terecht in box 1 zijn belast. De 'Hoogrentende Spaarpot Polis' is een kapitaalverzekering met een lijfrenteclausule die onder het 'pre-Brede Herwaarderingsregime' valt. Volgens de wetgeving van vóór 2001, die nog steeds van toepassing is op deze oudere polis, wordt een afkoop van zo'n verzekering in box 1 belast. De man heeft de lijfrentetermijnen niet tijdig vastgesteld of omgezet in een kwalificerende lijfrente, waardoor de afkoopsom in box 1 valt. De twee andere verzekeringen zijn ook met een lijfrenteclausule afgesloten. Omkeerregel De heffing in box 1 over de uitkeringen is niet slechts een belastingnadeel. Het is een gevolg van de omkeerregel en het vormt een onderdeel van een heffingssysteem dat door de aanwezigheid van een daartegenoverstaand belastingvoordeel een zeker evenwicht vertoont. Dat voordeel bestaat in elk geval uit de belastingaftrek van de in eerdere jaren betaalde premies. Daar komt bij dat de waarde van de verzekeringen voorafgaand aan de afkoop niet tot belastingheffing in box 3 heeft geleid. Saldomethode De saldomethode houdt in dat alleen het deel van de uitkeringen, dat hoger is dan de betaalde premies, wordt belast. Deze methode kan echter niet worden toegepast als de premies in aftrek zijn gebracht of hadden kunnen worden gebracht. Voor de 'Hoogrentende Spaarpot Polis' toont de man niet aan dat hij de premies niet in aftrek heeft gebracht. Gezien het karakter van de verzekering is het waarschijnlijk dat dit wel is gebeurd. Voor de andere twee verzekeringen bevestigt de man zelf dat hij de premies in aftrek heeft gebracht. Lees meer
Tariefmaatregel op doorbetaald pensioen is geen discriminatie Een belastingplichtige en zijn echtgenote gaan in 1992 uit elkaar. Hij betaalt zijn ex in 2020 en 2021 elk jaar € 4.078 uit zijn ouderdomspensioen. Die betalingen zijn aftrekbaar, maar door de tariefmaatregel niet tegen het hoogste tarief. Wie vanaf 1 mei 1995 scheidt van zijn echtgenoot heeft daar in de regel geen last van, want dan betaalt het pensioenfonds rechtstreeks aan de ex-echtgenoot. Het hof ziet in dat verschil discriminatie en schrapt de extra heffing. De Hoge Raad oordeelt dat het om ongelijke gevallen gaat, zodat de hogere heffing blijft staan. Verrekenen onder Boon/Van Loon De Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS) is op 1 mei 1995 in werking getreden en geldt door het overgangsrecht niet voor eerdere scheidingen. Daarvoor gelden de regels uit het arrest Boon/Van Loon uit 1981. De belastingplichtige ontvangt het volledige pensioen zelf en verrekent een afgesproken deel met zijn ex-echtgenote. De inspecteur staat op die betalingen de aftrek voor onderhoudsverplichtingen toe. Tegelijk past hij de tariefmaatregel toe, waardoor het voordeel beperkt blijft tot het tarief van de tweede schijf. Hof grijpt in Onder de hoofdregel van de Wet VPS heeft de ex-echtgenoot een eigen recht op uitbetaling tegenover het pensioenfonds. Er is dan geen aftrekpost en dus ook geen tariefmaatregel. Het hof ziet daarin strijd met het discriminatieverbod. Beide regimes verdelen pensioenrechten tussen scheidende echtgenoten en berusten op de verzorgingsgedachte. Een rechtvaardiging voor het verschil ziet het hof niet. Het hof laat de tariefmaatregel buiten toepassing, waarna de staatssecretaris in cassatie gaat. Geen gelijke gevallen De Hoge Raad stelt voorop dat de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de vraag of gevallen gelijk zijn. Beslissend is het doel van de tariefmaatregel en dat richt zich op aftrekposten. Onder de Wet VPS heeft de pensioengerechtigde voor het verevende deel geen aftrekpost. Dat deel hoort niet tot zijn belastbare inkomen. Ook vanuit het stelsel van de wet zijn de gevallen dus niet gelijk. Verzorging telt niet Dat beide regimes de verzorging van de ex-echtgenoot vooropstellen, verandert dat niet. Het gaat hier om de aftrek bij degene die doorbetaalt, niet om de fiscale positie van de ontvanger. Ten overvloede oordeelt de Hoge Raad dat hetzelfde ook geldt voor wie na 1 mei 1995 gescheiden is, maar bij uitzondering niet verevent. De uitspraak van de rechtbank blijft staan. Lees meer
Loods bij de woning op kosten van de bv is een winstuitdeling Een dga is indirect enig aandeelhouder van een bv die tot 2014 een tankstation en wasstraat exploiteert op zijn privéperceel. Daarna ligt die locatie stil door een conflict met de gemeente. Vanaf augustus 2015 verrijst bij zijn woning een loods zonder vergunning. De facturen voor beton, kozijnen, platen en bouwwerkzaamheden komen in de boekhouding van de bv terecht, geactiveerd op de balans. Tijdens een bedrijfsbezoek in juni 2019 vertelt de dga dat hij de loods ook privé gebruikt. Dat gesprek leidt tot een boekenonderzoek. Twee verhalen In beroep vertelt de dga iets anders. De loods is volgens hem alleen bedoeld om een nieuwe wasstraat voor de bv voor te bereiden. De loods is demontabel en kan naar de oude locatie worden verhuisd, zodra de gemeente meewerkt. Het hof gelooft de eerste verklaring, want de twee zijn niet met elkaar te rijmen. De loods dient alleen voor eigen gebruik. Een zakelijke grondslag ontbreekt. Beide partijen zijn zich van de bevoordeling bewust en de bv heeft voldoende reserves. Het hof ziet zelfs een patroon waarin de dga de bv voor persoonlijke doeleinden inzet. Het hele bedrag Volgens de dga gaan alleen de facturen van € 17.000 en € 8.000 over de loods. Het hof volgt dat niet. Alle facturen dateren uit dezelfde periode en foto's tonen dat er destijds geen ander bouwwerk was. De dga bespaart kosten die hij had moeten dragen, inclusief btw. Het voordeel is dus het volledige bedrag. Verrekening met de rekening-courant faalt, omdat de kosten op de balans staan. Lees meer
Niet ingehouden loonheffing hoort ook niet bij het genoten loon Een dga geeft over 2023 een loon van € 29.880 aan, met € 7.442 aan ingehouden loonheffing. Zijn bv draagt die loonheffing echter nooit af en de inspecteur verrekent daarom niets. De dga kan niet bewijzen dat de loonheffing wel is ingehouden. Toch krijgt hij deels gelijk, omdat de inspecteur niet kan aantonen dat de dga het bedrag op een andere manier heeft genoten. De rechtbank verlaagt het belastbaar inkomen daarom met € 7.442 naar € 22.438. Loonheffing op papier De dga is bestuurder en enig aandeelhouder van een bv. Na een aanmaning volgt zijn aangifte IB pas op 7 oktober 2024. De aanslag van 11 januari 2025 volgt de aangifte, maar de inspecteur zet de voorheffing op nul. De inspecteur wil de bewijslast omkeren. De rechtbank weigert dat. De aangifte was weliswaar te laat, maar ruim voordat de aanslag werd opgelegd. De inspecteur kan en moet er dan rekening mee houden. Daarom gelden de normale bewijsregels. Inhouding Inhouden betekent het administratief afzonderen van een deel van het brutoloon om het af te dragen. Afdracht is geen voorwaarde. Voor die afzondering heeft de dga alleen zijn eigen verklaring. De administratie van de bv is in beslag genomen. Volgens de rechtbank had hij met bankafschriften, loonstroken of back-ups van de externe loonadministrateur toch een begin van bewijs kunnen leveren. Ook een beroep op de schijn van inhouding strandt. Die leer ziet volgens de rechtbank vooral op werkgevers en werknemers die los van elkaar staan, en dat is hier niet het geval. Niet genoten Dan rest de vraag of de dga het bedrag toch heeft genoten. Normaal gebeurt dat door de inhouding zelf. Volgens een arrest van de Hoge Raad uit 2016 moet de inspecteur bewijzen dat het bedrag op een andere manier aan de werknemer ten goede is gekomen. De inspecteur stelt daar niets over. Het bedrag van de loonheffing hoort daarom niet tot het belastbaar inkomen. De dga heeft geen recht op verrekening, maar betaalt ook geen belasting over loon dat hij niet heeft genoten. Te laat In een nader stuk stelt de inspecteur dat het bedrag aan loonheffing ontbrekend gebruikelijk loon is. Om die reden dient het alsnog belast te worden. De rechtbank acht het beroep op interne compensatie in strijd met de goede procesorde. Het standpunt van de inspecteur is pas op de zitting duidelijk geworden. Lees meer
Zelfstandigenwet biedt meer duidelijkheid voor zzp’ers De Zelfstandigenwet, die naar verwachting in januari 2028 in werking treedt, heeft als doel om meer duidelijkheid te scheppen over de samenwerking tussen zelfstandigen en opdrachtgevers. De wet wil schijnzelfstandigheid tegengaan en zelfstandigen de erkenning geven die zij verdienen. Dit gebeurt door middel van twee toetsen: de zelfstandigentoets en de werkrelatietoets. Wie aan beide toetsen voldoet én in de praktijk zo werkt, weet vooraf dat hij of zij als zelfstandige kan werken. In de woorden van de wet heet dit ‘een veilige haven’. Wie niet aan beide toetsen voldoet, moet op basis van de huidige criteria bepalen of hij of zij als zelfstandige werkzaam is. Zelfstandigentoets De zelfstandigentoets richt zich op de ondernemer zelf en diens ondernemerschap in het economisch verkeer. Er zijn drie criteria: De werkende moet in de periode tot en met het vorige kalenderjaar minimaal drie opdrachtgevers hebben gehad. Er moet een minimumbedrag zijn besteed aan voorzieningen voor ondernemersrisico's, zoals een arbeidsongeschiktheidsverzekering of pensioenvoorziening. De werkende moet de basisvoorwaarden op orde hebben, zoals een KVK-inschrijving, een zakelijke bankrekening, een btw-identificatienummer en zelf factureren. Werkrelatietoets De werkrelatietoets beoordeelt de specifieke arbeidsrelatie en kijkt of er voldoende zelfstandig wordt gewerkt, zonder 'gezag'. De vier criteria zijn: De wil van de partijen om niet in dienstverband te werken. De vrijheid om het werk zelf te organiseren. De vrijheid om de werktijden en werkplek te bepalen. Op dit criterium zijn uitzonderingen voor plaatsgebonden werk en voor tijdsgebonden werk. Het werken voor eigen rekening en risico. Hierbij is de feitelijke uitvoering van de overeenkomst leidend, niet wat op papier is afgesproken. Aan alle criteria moet worden voldaan. Er is geen rangorde. Internetconsultatie De Zelfstandigenwet is nu in internetconsultatie. Reageren op het conceptwetsvoorstel kan tot en met 29 oktober 2026 op www.internetconsultatie.nl. Lees meer
Bedrijf met kleine winsten blijft een onderneming Een man is vennoot in een vof die akkerbouw bedrijft. De inspecteur vindt het bedrijf te klein en rekent het aandeel tot het vermogen in box 3. Hij telt veertien jaar resultaten op en komt uit op een negatief totaal. Het hof wijst dat af, want de bron moet per jaar worden beoordeeld en niet over een reeks jaren. De vof houdt haar onderneming. Van vee naar akkerbouw Na het overlijden van hun vader zetten de drie kinderen in 2009 zijn bedrijf voort. Wel schakelen zij over van veeteelt op akkerbouw. Sinds 2019 verpacht de vof ruim twee hectare voor ongeveer € 3.335 per jaar en verkoopt zij gras voor € 2.750, plus € 960 voor kunstmest. Na het verliesjaar 2020 volgen winsten van € 924, € 1.511 en € 718. Drie eisen, één geschilpunt Van een bron van inkomen is pas sprake als iemand deelneemt aan het economische verkeer, voordeel beoogt en dat voordeel redelijkerwijs kan verwachten. De eerste twee staan niet ter discussie. Het gaat alleen om de derde eis: de objectieve voordeelsverwachting. Die vraagt niet om een lonend bedrijf, een minimale omvang of een bepaald rendement. Voldoende is dat redelijkerwijs voordeel valt te verwachten, hoe bescheiden ook. Winsten van een paar honderd euro zijn winsten. De bewijslast keert Sinds 2003 geeft de belastingplichtige het aandeel aan als winst uit onderneming. Tot 2019 volgt de inspecteur de aangiften. Wie daar na vijftien jaar op terugkomt, moet zelf aannemelijk maken dat de bron verdwenen is. Daarvoor telt de inspecteur zijn gecorrigeerde resultaten over veertien jaar op. De pachtopbrengsten laat de inspecteur weg: die komen van grond die de vof niet meer zelf bewerkt en die volgens het pottenbakkersarrest ondernemingsvermogen blijft, maar niets zegt over de activiteiten. Volgens de inspecteur eist de wet een positieve totaalwinst. Optellen mag niet Het hof gaat daar niet in mee. De eis van een positieve totaalwinst berust op een onjuiste lezing van de wet. De toets vindt in beginsel per jaar plaats. De gekozen periode is te lang en arbitrair en daarin wisselen negen positieve en vijf negatieve jaren elkaar af. De gras- en kunstmestvergoedingen tellen mee als omzet en ook zonder de pacht zijn de resultaten niet zo mager dat de voordeelsverwachting verdwijnt. Akkerbouw leidt naar haar aard al snel tot een onderneming en laat nu eenmaal wisselende resultaten zien. Een reeks magere jaren zegt dus weinig over het jaar dat op tafel ligt. Het areaal is niet te klein voor een levensvatbaar bedrijf. Lees meer
Verzekeringsplicht bestuurders door ongelijk aandelenbezit Een aantal radiologen zette in 2014 hun maatschap om in een vennootschap, waarin elke radioloog aandeelhouder, bestuurder en werknemer is. Het aandelenbezit volgt de omvang van het dienstverband, dat varieert van 0,55 tot 1 fte. Vooraf bevestigt de inspecteur schriftelijk dat de radiologen als directeur-grootaandeelhouder (dga) niet verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen, gezien het gelijke stemrecht en hun positie als statutair bestuurder. De brief bevat een voorbehoud: de toezegging vervalt bij relevante wijzigingen in regelgeving. Stemrecht of kapitaal Tot en met 2015 is een gelijk of nagenoeg gelijk aantal stemmen genoeg om onder de verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen uit te komen. Vanaf 2016 telt echter niet meer het stemrecht, maar het aandeel in het kapitaal. De Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2016 bepaalt dat de bestuurders samen alle aandelen moeten bezitten en een gelijk of nagenoeg gelijk deel van het kapitaal moeten vertegenwoordigen. Dat aandeel loopt bij de radiologen uiteen van 1,43 tot 2,60%. De inspecteur beslist dat de radiologen vanaf 1 januari 2016 verzekerd zijn en dat de vennootschap vanaf dan premies verschuldigd is. Economisch belang beslist De vennootschap wil een materiële toets. De radiologen werken volgens haar nevengeschikt samen, net als maten, en het verschil in aandelen komt alleen voort uit hun aanstelling. Het hof geeft de inspecteur gelijk. De radiologen met het grootste belang hebben ruim 1,8 keer zoveel aandelen als die met het kleinste belang. Van een nagenoeg gelijk deel van het kapitaal is dan geen sprake. Dat de verdeling de arbeidsinzet van de radiologen volgt, doet er niet toe. Ook de nevengeschikte samenwerking maakt geen verschil. De regeling sluit, ook volgens de toelichting, uitdrukkelijk aan bij het economische belang dat uit het aandelenbezit blijkt. Lees meer
Btw op verdedigingskosten bij corruptieonderzoek is aftrekbaar Een internationale moedermaatschappij schakelt advocaten en adviseurs in wanneer autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en de Verenigde Staten onderzoek doen naar omkoping binnen het concern. De juridische kosten bedragen bijna € 300 miljoen, met ruim € 60 miljoen aan btw. De vennootschap trekt die btw pro rata af. De inspecteur weigert een deel van de aftrek en legt over 2016 tot en met 2019 naheffingsaanslagen op. De rechtbank vernietigt de naheffingen, omdat de kosten de economische activiteiten van de vennootschap veiligstellen. Schikking van miljarden De autoriteiten verdenken het concern van omkoping via tussenpersonen bij het binnenhalen van orders. In januari 2020 treft de vennootschap schikkingen om strafvervolging te voorkomen en betaalt zij omgerekend ongeveer € 3,6 miljard. De juridische kosten zien op bijstand bij de onderzoeken, het afwenden van vervolging en een beter compliance- en ethiekprogramma. De vennootschap belast kosten door aan de commerciële divisie van het concern. Dat de btw op de compliancekosten aftrekbaar is, staat niet ter discussie. Verboden handelingen? De inspecteur vindt de btw op de onderzoeks- en advocaatkosten niet aftrekbaar. Volgens hem hangen die kosten rechtstreeks samen met omkoping en corruptie, die in de Europese Unie verboden zijn. Hij beroept zich primair op de arresten Einberger en Happy Family van het HvJ. Subsidiair sluit hij de btw op bijstand aan werknemers uit via het BUA. De vennootschap stelt dat de doorbelasting een belaste dienst aan de commerciële divisie is, zodat alle btw aftrekbaar is. Verder ziet zij de kosten als algemene kosten. Twee standpunten sneuvelen De rechtbank legt de bewijslast voor de verboden handelingen bij de inspecteur en de inspecteur slaagt hier niet in. De schikkingen en het betaalde bedrag zijn onvoldoende. Zelfs met dat bewijs is de aftrek niet zonder meer uitgesloten, want de Europese arresten gaan over niet goed vergelijkbare situaties. Ook het standpunt van de vennootschap strandt. Een doorbelasting van kosten is op zichzelf geen belaste dienst. De overeenkomsten met de commerciële divisie zijn achteraf opgesteld en de vennootschap geeft de kosten zelf aan als algemene kosten. Vervolging raakt de onderneming Volgens de vennootschap moet de bijstand aan werknemers hen vrijuit laten praten, in het belang van het interne onderzoek en de schikkingen. De rechtbank vindt die verklaring geloofwaardig en ziet het persoonlijke voordeel van de werknemers als ondergeschikt, zodat het BUA buiten toepassing blijft. Een strafvervolging kan de exportkredieten, vergunningen en nieuwe orders van het concern raken en zelfs zijn voortbestaan. De kosten dienen dus de algemene economische activiteiten van de vennootschap. Lees meer
Kabinet presenteert fiscale wijzigingen box 3, koopkracht en sociale zekerheid Het kabinet heeft een aangepast begrotingsvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd. De voorstellen omvatten aanpassingen in box 3, box 2 en de sociale zekerheid. Vermogenswinstbelasting Het kabinet kiest voor een structurele oplossing in box 3 door over te stappen op een vermogenswinstbelasting, waarbij winst wordt belast bij uitkering in plaats van op papier. Dit moet het belastingstelsel beter laten aansluiten bij de economische werkelijkheid. Vanaf 2027: Het heffingsvrije vermogen in box 3 wordt teruggebracht naar het niveau van 2020, namelijk € 30.846. Ook wordt het forfait voor overige bezittingen, inclusief huurinkomsten en voordelen uit eigen gebruik van onroerende zaken, met 1,5 procentpunt verhoogd. Vanaf 2028: De vermogenswinstbelasting wordt uitgebreid naar alle financiële instrumenten, zoals aandelen, obligaties en opties. Dit betekent dat voor ongeveer 90% van het vermogen met waardeontwikkeling in box 3 een vermogenswinstbelasting geldt. Vanaf dit jaar geldt ook een heffingsvrij resultaat van € 1.000. Vanaf 2030: De overstap naar een volledige vermogenswinstbelasting voor alle vermogensbestanddelen. Ter dekking van deze voorstellen wordt het hoge tarief in box 2 vanaf 2027 tijdelijk verlaagd naar 29,2% voor vier jaar. Dit moet ondernemers stimuleren om meer winst uit hun bedrijf op te nemen. Daarnaast wordt de mogelijkheid om uit een eigen bv te lenen in vijf stappen van € 80.000 beperkt van € 500.000 naar € 100.000, met uitzondering van leningen voor een eigen woning. Koopkracht en sociale zekerheid Om de koopkracht te stimuleren en werken meer te laten lonen, neemt het kabinet aanvullende maatregelen. De arbeidskorting wordt minder verhoogd, namelijk met € 133 in plaats van € 173. De inkomensgrens voor het toptarief wordt verhoogd van € 78.426 naar € 80.578. Wat betreft de sociale zekerheid zijn de eerder voorgenomen bezuinigingen op arbeidsongeschiktheids- en werkloosheidsuitkeringen voor dit jaar van tafel. Het kabinet wil met werkgevers en vakbonden een sociaal akkoord sluiten over hervormingen van deze uitkeringen. Overige voorstellen Andere voorstellen en gespreksthema's zijn onder meer: Verlaging van de accijns op benzine en diesel in 2027 en 2028 met in totaal € 2,1 miljard. Verlaging van de vliegbelasting. Extra investeringen in (regionale) infrastructuur. Een fiscale investeringsreserve voor de agrarische sector. Tijdelijke verlaging van de vrachtwagenheffing en motorrijtuigenbelasting voor bestelauto's. Gesprekken met de oppositie over medisch-ethische vraagstukken, migratie, het stikstofpakket en zorgfraude. Lees meer
Wtta: nieuwe regels voor het uitlenen van personeel De Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) bepaalt dat bedrijven alleen nog werknemers mogen uitlenen als zij daarvoor een toelating hebben. Met deze wet wil de overheid misstanden op de uitleenmarkt tegengaan. De Wtta treedt op 1 januari 2027 in werking. Vanaf 1 januari 2028 handhaaft de Nederlandse Arbeidsinspectie op de toelatingsplicht. Voor wie geldt de Wtta? De wet geldt voor uitleners. Dat zijn bedrijven die tegen vergoeding werknemers ter beschikking stellen om onder toezicht en leiding van een ander werk te verrichten. Hieronder vallen onder meer: uitzendbureaus; detacheerders; payrollbedrijven; bedrijven die incidenteel personeel uitlenen. Daarnaast geldt de Wtta voor inleners, oftewel bedrijven die personeel inhuren. Uitleners Het normenkader van de Wtta is verplicht. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de financiële en administratieve betrouwbaarheid van een onderneming, maar ook naar de manier waarop zij met werknemers omgaat. Uitleners mogen alleen personeel uitlenen als zij een toelating of een ontheffing hebben. Om hiervoor in aanmerking te komen, moeten zij vooraf aantonen dat zij aan het normenkader voldoen. Ook krijgen zij te maken met periodiek toezicht en controles. Daarnaast moeten uitleners: een waarborgsom van € 100.000 storten; een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) overleggen. Inleners Hoewel de Wtta zich vooral richt op bedrijven die personeel uitlenen, krijgen ook bedrijven die personeel inhuren te maken met nieuwe verplichtingen en verantwoordelijkheden. Vanaf 1 januari 2028 mogen zij alleen nog werknemers inlenen van uitleners met een toelating of ontheffing van de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU), tenzij een wettelijke uitzondering geldt. Daarnaast moeten inleners uiterlijk vóór de start van de werkzaamheden vastleggen via welke uitlener personeel wordt ingezet. Deze verplichting geldt ook bij doorlening. Verder zijn inleners verantwoordelijk voor het tijdig verstrekken van de arbeidsvoorwaarden aan de uitlener. Waadi-register wordt Wtta-register Op 1 januari 2028 gaat het Waadi-register van de Kamer van Koophandel (KVK) over naar het openbare Wtta-register van de NAU. Hierdoor vervalt voor uitleners de verplichting om een Waadi-registratie in het Handelsregister op te nemen. Ook de huidige Waadi-check voor inleners via de website van de KVK verdwijnt. Inschrijving in het Handelsregister van de KVK blijft wel verplicht. Lees meer
Vanaf november extra toeslag van € 2 voor pakketjes van buiten de EU Vanaf 1 november 2026 moeten importeurs een afhandelingsvergoeding gaan betalen op e-commercezendingen die van buiten de EU aan een consument in de EU worden verzonden. Deze vergoeding bedraagt € 2 per productcategorie, ongeacht de waarde van de zending. Dat betekent dat de afhandelingsvergoeding ook wordt geheven op producten die een waarde hebben van meer dan € 150. Invoerrechten Voor zendingen tot en met € 150 heft de Douane sinds 1 juli 2026 invoerrechten. Het gaat om € 3 invoerrechten per productcategorie. Voor zendingen van meer dan € 150 hangt de hoogte af van de totale kosten, waar het product van gemaakt is en waar het vandaan komt. Lees meer
Geen incassokosten bij niet geregistreerde incassodienstverlener Incassodienstverleners die niet geregistreerd zijn, mogen vanaf 1 oktober geen incassokosten of rente in rekening brengen bij personen met schulden. Dit geldt ook voor incassowerkzaamheden bij eenmanszaken, vennoten en maatschappen. De oorspronkelijke schuld moet wel betaald worden. Het register is te raadplegen op: https://www.justis.nl/registers/register-incassodienstverlening Hiermee treedt het laatste artikel van de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki) in werking. Doel van de Wki is mensen met een schuld beter te beschermen tegen onprofessioneel handelen van incassodienstverleners. Daarom stelt de wet eisen aan de kwaliteit en betrouwbaarheid van incassodienstverleners. Denk daarbij aan opleidingseisen, goede en juiste informatie aan iemand met een schuld, inzicht in de opbouw van een schuld en incassokosten en juiste omgangsvormen. Het gaat om incassodienstverleners in de breedste zin van het woord, namelijk alle partijen die een aanmaning naar een persoon versturen namens een derde of nadat ze de schuld gekocht hebben. Onderdeel van de Wki is dat een incassodienstverlener zich registreert. Deurwaarders en advocaten die incassodiensten verlenen, hebben geen registratieplicht, omdat zij al geregistreerd staan in het deurwaardersregister of op het tableau. Lees meer
Tijdige aangifte erfbelasting voorkomt rente alleen bij een juiste aangifte Een erfgename stelt dat zij geen belastingrente verschuldigd is over de te betalen erfbelasting. De aangifte is immers tijdig ingediend en de inspecteur heeft daarna ruim twee jaar laten verstrijken voordat hij een aanslag oplegt. Daarnaast wijst zij erop dat het werkelijke rendement op het vermogen ongeveer 1% bedraagt, terwijl de rente oploopt tot 7,5%. De inspecteur houdt voet bij stuk. De wettelijke uitzondering geldt alleen als de aanslag overeenkomt met de aangifte. Daarvan is hier geen sprake. Een te laag saldo De aangifte is in december 2022 de deur uitgegaan en vermeldt een zuiver saldo van de nalatenschap van € 1,6 miljoen. Het erfdeel van de vrouw is goed voor ruim € 16.000 erfbelasting. Correspondentie met haar gemachtigde levert vanaf mei 2024 een heel ander beeld op. Het zuivere saldo komt uit op bijna € 2,3 miljoen en ook de erfdelen worden anders vastgesteld. De aanslag, met € 11.000 belastingrente, volgt in april 2025. Alleen bij een gevolgde aangifte De rechtbank volgt de inspecteur. Bij een aanslag erfbelasting wordt rente berekend vanaf acht maanden na het overlijden. De uitzonderingen in de wet zien uitsluitend op een aanslag die overeenkomstig de aangifte wordt vastgesteld. In deze zaak wijkt de aanslag op meerdere punten af. Dat de aangifte tijdig binnen is, doet daar niets aan af. Ook het verwijt dat de inspecteur niet binnen drie maanden een aanslag oplegt, treft geen doel. Die termijn is een streven. De wet geeft hem drie jaar. De belastingrente komt niet voort uit traagheid bij de Belastingdienst, maar uit fouten in de aangifte zelf. Wie het saldo en de erfdelen meteen goed vaststelt, houdt de teller op nul. Lees meer
Lening met lage rente blijkt te hoog gewaardeerd Een financieringsvennootschap krijgt binnen het concern een vordering van $ 207,7 miljoen op een werkmaatschappij in Kazachstan. De rente ligt ver onder de marktrente en de werkmaatschappij hoeft pas in 2031 iets te betalen. Als de vennootschap in 2018 naar Hongarije verhuist, claimt zij op die vordering een verlies van $ 37,6 miljoen. Het hof vindt dat verlies niet aftrekbaar. De vordering had vanaf het begin voor een lager bedrag op de balans moeten staan en dan is er bij vertrek geen verlies. Minder waard dan op papier De waarde van een vordering is niet altijd gelijk aan de nominale waarde. Stel dat iemand belooft je over vijftien jaar € 100 terug te betalen, zonder rente. Een koper betaalt daar vandaag flink minder voor, want elders levert zijn geld rente op. Die lagere prijs heet de contante waarde. De werkmaatschappij betaalt 0,1 procentpunt boven het interbancaire tarief, terwijl partijen een opslag van 2,75 procentpunt zakelijk vinden. Betalen hoeft pas op 1 februari 2031. De contante waarde van de vordering is daardoor fors minder dan $ 207,7 miljoen. Afrekenen bij vertrek De vennootschap zet de vordering toch voor het volle bedrag op haar balans. Voor de Belastingdienst telt zij elk jaar een zakelijke rente bij haar winst. Op 25 juli 2018 verhuist haar feitelijke leiding naar Hongarije. Bij zo'n vertrek moet er worden afgerekend alsof de vennootschap haar bezittingen verkoopt tegen de werkelijke waarde. Voor de vordering is dat $ 170,1 miljoen. Het verschil met de balanswaarde neemt de vennootschap als verlies. De inspecteur weigert de aftrek. Meteen de lagere waarde Volgens het hof verkrijgt de vennootschap de vordering op 9 december 2016 door een overdracht binnen het concern. Een nieuwe bezitting hoort op de balans voor haar werkelijke waarde. Hier is dat de contante waarde. Doorslaggevend is dat vóór 2031 niets opeisbaar is. Daardoor staat al bij de verkrijging vast hoeveel rente de vennootschap misloopt. Elk jaar groeit de waarde daarna richting het volle bedrag, en die groei telt als winst. Fout alsnog hersteld De vordering staat dus sinds 2016 te hoog op de balans. Zo'n balansfout mag de inspecteur herstellen in het oudste jaar dat nog openstaat. Hier is dat 2018: over 2017 heeft hij na de rechtbankuitspraak geen belang bij hoger beroep. Op 1 januari 2018 staat de vordering daarom voor de contante waarde van $ 166,5 miljoen op de balans. Met een waarde van $ 170,1 miljoen bij vertrek is er dus geen verlies. Lees meer
Tarieven en heffingskortingen 2027 De tarieven en heffingskortingen in de inkomstenbelasting zien er als volgt uit. 2027 2026 Tarief schijf 1 36,23% 35,75% Tarief schijf 2 38,16% 37,56% Tarief schijf 3 49,5% 49,5% Grens schijf 1 € 39.247 € 38.883 Grens schijf 2 € 78.426 € 78.426 Algemene heffingskorting, maximaal € 3.154 € 3.115 Arbeidskorting, maximaal € 5.929 € 5.685 IACK, maximaal € 2.918 € 3.032 Jonggehandicaptenkorting € 935 € 923 Zelfstandigenaftrek € 900 € 1.200 Startersaftrek € 10 € 2.123 Stakingsaftrek € 908 € 3.630 Mkb-winstvrijstelling 12,7% 12,7% * Voor mensen die geboren zijn voor 1 januari 1946 geldt een hogere bovengrens van schijf 1 van € 41.637. Vrijheidsbijdrage De wettelijke inflatiecorrectie vindt jaarlijks plaats door toepassing van de zogenoemde tabelcorrectiefactor. Het kabinet stelt voor dat burgers en (in beperkte mate) bedrijven de vrijheidsbijdrage leveren in de vorm van een beperking van de toepassing van de wettelijke inflatiecorrectie. De tabelcorrectiefactor wordt beperkt toegepast in de inkomsten- en loonbelasting voor 2027 en 2028. Normaal zou de inflatiecorrectie 2,6% bedragen (factor 1,026) in 2027, maar nu wordt slechts 48% toegepast (factor 1,01248). Daardoor stijgen tariefschijven, heffingskortingen en enkele andere bedragen minder sterk. Lees meer
Aanpassingen IB particulieren en box 2 Specifieke zorgkosten De regeling aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten zal worden afgeschaft per 2028. Er komt geen overgangsrecht voor negatieve persoonsgebonden aftrek die samenhangt met de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten. Dit betekent dat een teruggave of nagekomen betaling, die na 1 januari 2028 wordt ontvangen voor eerder afgetrokken zorgkosten, niet meer leidt tot een negatieve persoonsgebonden aftrek. Aftoppingsgrens pensioen Sinds 1 januari 2015 is het inkomen, waarover aanvullend pensioen of een lijfrente kan worden opgebouwd, gemaximeerd. De zogenoemde aftoppingsgrens wordt jaarlijks geïndexeerd. In 2026 bedraagt de aftoppingsgrens € 137.800. In 2025 en 2026 is de aftoppingsgrens niet geïndexeerd. Voorgesteld wordt om ook in de jaren 2027 tot en met 2032 geen indexatie toe te passen op de aftoppingsgrens. Verkrijgingsprijs bij zetelverplaatsing Als de werkelijke leiding van een vennootschap wordt verplaatst naar Nederland (zetelverplaatsing), ontstaat voor de in het buitenland woonachtige aanmerkelijkbelanghouder een buitenlandse belastingplicht voor de inkomstenbelasting. Dit leidt ertoe dat over reguliere voordelen en over vervreemdingsvoordelen in Nederland inkomstenbelasting in box 2 is verschuldigd. Op basis van de huidige wettekst kan het standpunt ingenomen worden dat de verkrijgingsprijs vastgesteld moet worden op de (historische) tegenprestatie bij verkrijging van het aanmerkelijk belang. Om dit te voorkomen wordt voorgesteld om de verkrijgingsprijs bij zetelverplaatsing vast te stellen op de waarde in het economische verkeer van het aanmerkelijk belang op dat moment. Hierdoor wordt alleen een waardestijging of een waardedaling die plaatsvindt na de zetelverplaatsing tot het inkomen uit box 2 gerekend. Vererfd ab en fictief regulier voordeel Bij een vererfd aanmerkelijk belang kan onder voorwaarden gebruik worden gemaakt van een faciliteit waardoor reguliere voordelen die binnen 24 maanden na overlijden worden ontvangen, niet direct in box 2 worden belast. Deze faciliteit kan ongewenst uitpakken bij een fictief regulier voordeel uit de Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap. Voorgesteld wordt dat de faciliteit voor een vererfd aanmerkelijk belang niet kan worden toegepast op dit fictieve voordeel. Bovendien voorkomt de maatregel dubbele heffing. Zonder uitsluiting kan het maximumbedrag van € 500.000 niet worden verhoogd, waardoor bij een ongewijzigde schuld in een volgend jaar opnieuw een fictief regulier voordeel ontstaat. Lees meer
Aanpassingen ondernemingen Afschaffen startersaftrek De startersaftrek is een regeling in de inkomstenbelasting waardoor een ondernemer, die minder dan vijf jaar ondernemer is (starter), onder voorwaarden maximaal drie jaar recht heeft op een extra aftrekpost van maximaal € 2.123. De startersaftrek wordt per 1 januari 2027 verlaagd tot € 10 en per 1 januari 2028 volledig afgeschaft. In het verlengde hiervan wordt in 2028 ook de regeling willekeurige afschrijving starters afgeschaft. Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid Verder wordt voorgesteld om per 1 januari 2029 de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid af te schaffen. De regeling is bedoeld voor ondernemers die niet aan het urencriterium van 1.225 uur voldoen, maar wel aan het verlaagde urencriterium van 800 uur. Op dit moment is de aftrek in het eerste jaar maximaal € 12.000, in het tweede jaar maximaal € 8.000 en in het derde jaar maximaal € 4.000. Versoberen en afschaffen meewerk- en stakingsaftrek Naar verwachting worden per 2027 de meewerkaftrek en stakingsaftrek eerst met 75% versoberd en per 2030 afgeschaft. De meewerkaftrek is een regeling waardoor IB-ondernemers, van wie de partner onbetaald in de onderneming meewerkt, minder belasting over hun winst hoeven te betalen. De hoogte van de meewerkaftrek is gekoppeld aan het aantal door de partner gewerkte uren. De stakingsaftrek zorgt ervoor dat IB-ondernemers, die stoppen met hun onderneming, over een deel van de daarbij behaalde winst geen belasting hoeven te betalen. De stakingsaftrek bedraagt op dit moment € 3.630. Dat wordt € 908 in 2027. Verhogen aftrekpercentage EIA Het aftrekpercentage van de energie-investeringsaftrek (EIA) wordt per 1 januari 2027 verhoogd van 40% naar 45,5%. Hiermee wordt het financieel aantrekkelijker voor bedrijven om investeringen te doen in energiebesparende maatregelen of duurzame energie. Hiermee probeert het kabinet om de verduurzaming te versterken en de afhankelijkheid van energie uit het buitenland te verminderen. Afschaffen bosbouwvrijstelling De bosbouwvrijstelling is een regeling die de voordelen uit bosbedrijf vrijstelt van inkomsten- resp. vennootschapsbelasting. Het kabinet stelt voor de bosbouwvrijstelling per 1 januari 2029 af te schaffen, zonder enige vorm van overgangsrecht. Doelstelling van de bosbouwvrijstelling is het bevorderen van het behoud en de aanleg van bossen door bosbedrijven. De bosbouwvrijstelling is volgens recent onderzoek niet doeltreffend en niet doelmatig. Bosbouwbedrijven zijn niet of weinig winstgevend. Het gebruik van de vrijstelling door bosbouwbedrijven is daarom beperkt. Vooral niet-bosbouwbedrijven met een beperkt bosbezit maken gebruik van de regeling. Afschaffing maakt het belastingstelsel eenvoudiger Een deel van de opbrengst van het afschaffen van de bosbouwvrijstelling zal worden besteed aan natuurbeleid via de begroting van het Ministerie van LVVN. MKB-forfait innovatiebox De vennootschapsbelasting kent een forfaitaire regeling om de innovatiebox toegankelijker te maken voor het midden- en kleinbedrijf (mkb). Als voor deze regeling wordt geopteerd, wordt 25% van de winst aangemerkt als het saldo van voordelen uit hoofde van de immateriële activa en in de innovatiebox belast. Er geldt een maximum van € 25.000 per jaar en per belastingplichtige. Omdat de winst uit een immaterieel activum zich meestal niet in één jaar voordoet, is ervoor gekozen deze te verdelen over het jaar waarin het immateriële activum ontstaat en de twee daaropvolgende jaren. Het kabinet stelt voor om deze forfaitaire regeling per 1 januari 2027 te verruimen door het maximumbedrag te verhogen naar € 100.000. Lees meer