Geldstromen naar privé leiden tot aansprakelijkheid bestuurder Een bestuurder van een transportbedrijf wordt aansprakelijk gesteld voor bijna € 730.000 aan onbetaalde loonheffing en omzetbelasting. Hij stelt dat hij tijdig melding van betalingsonmacht heeft gedaan. De rechtbank oordeelt echter dat dit niet het geval is. Het verzoek om corona-uitstel is ingediend op basis van een onjuiste reden. Daarnaast is sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Terwijl de belastingschulden oplopen, ontvangt de bestuurder ruim € 470.000 van groepsvennootschappen zonder dat duidelijk is waarvoor. Sterke groei, geen belasting betaald Het transportbedrijf wordt opgericht in augustus 2020 en groeit snel. De omzet stijgt van € 1,5 miljoen in 2020 naar bijna € 9 miljoen in 2023. Tegelijk blijven aanzienlijke bedragen aan loonheffing en omzetbelasting onbetaald. In januari 2022 vraagt het bedrijf corona-uitstel aan vanwege terugvallende opdrachten. De Belastingdienst verleent dit uitstel, maar trekt het later in, omdat onvoldoende uitleg wordt gegeven over de relatie met corona. Corona-uitstel op verkeerde gronden De bestuurder stelt dat het verzoek om corona-uitstel geldt als melding van betalingsonmacht. De rechtbank verwerpt dit standpunt. De opgegeven reden blijkt onjuist in het licht van de sterke omzetgroei. Daardoor geldt het verzoek niet als een geldige melding. Een later verzoek om een betalingsregeling van 1 mei 2023 wordt wel als melding gezien, maar dit is alleen tijdig voor de maanden februari en maart 2023. Geen redelijk handelend bestuurder Ook voor deze maanden blijft de bestuurder aansprakelijk. De rechtbank oordeelt dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De bestuurder is op de hoogte van de belastingschulden en ontvangt hierover meerdere overzichten. Toch blijven aangiften uit of worden te laat ingediend en lopen de schulden verder op. Tegelijkertijd wordt € 3,8 miljoen overgeboekt naar gelieerde vennootschappen. Volgens de bestuurder zijn deze betalingen nodig voor de continuïteit van de groep, maar een groot deel van het geld komt uiteindelijk bij hemzelf terecht. Ruim vier ton zonder verklaring In drie jaar tijd ontvangt de bestuurder € 723.567 op zijn privérekening vanuit groepsvennootschappen. Hiervan betreft € 253.108 nettoloon. Voor het resterende bedrag van € 470.459 geeft hij geen verklaring. Ook uit bankafschriften blijkt niet waarvoor deze bedragen zijn betaald. De rechtbank acht aannemelijk dat een groot deel van dit bedrag indirect afkomstig is van het transportbedrijf en kwalificeert deze betalingen als onzakelijk. Niet-bestaande jurisprudentie Opvallend is dat de rechtbank een deel van het beroepschrift buiten beschouwing laat. Het bevat meerdere foutieve en niet-bestaande verwijzingen naar jurisprudentie. De rechtbank laat de stellingen die daarop zijn gebaseerd buiten beschouwing. Het patroon van niet-bestaande arresten met plausibel klinkende vindplaatsen doet denken aan AI-hallucinaties. De rechtbank zegt het niet met zoveel woorden, maar de boodschap is helder: controleer uw bronnen. Lees meer
Compromis over box 3 blijft staan Tijdens een rechtszaak komt een man met de inspecteur overeen dat zijn werkelijk rendement in box 3 € 855 bedraagt. Enkele maanden later oordeelt de Hoge Raad dat bij de vaststelling van het werkelijk rendement geen rekening mag worden gehouden met kosten. De inspecteur wil het compromis vervolgens openbreken, maar het hof houdt hem aan de afspraak. Wie een compromis sluit, aanvaardt de kans dat latere jurisprudentie anders uitpakt. Overeenstemming ter zitting De aanslag IB/PVV 2018 vermeldt een box 3-inkomen van € 147.253. De inspecteur vermindert dat bedrag later naar € 63.621. De man is het daar niet mee eens en gaat in beroep. Tijdens de zitting bij de rechtbank bereiken zij overeenstemming. Zij stellen het werkelijk rendement vast op € 855. De rechtbank vermindert de aanslag dienovereenkomstig en veroordeelt de inspecteur tot betaling van wettelijke rente. Inspecteur wil terugkomen op afspraak De inspecteur gaat in hoger beroep. Hij stelt dat het overeengekomen bedrag van € 855 inclusief aftrek van bankkosten is berekend. Op 6 juni 2024 oordeelt de Hoge Raad echter dat bij de vaststelling van het werkelijk rendement geen rekening mag worden gehouden met kosten. Volgens de inspecteur moet het werkelijk rendement daarom € 1.738 bedragen in plaats van € 855. Afspraak blijft gelden Het hof houdt de inspecteur aan de afspraak. De man en de inspecteur wilden het geschil afronden en onzekerheid voorkomen. Daarmee hebben zij een bindende afspraak gesloten. De inspecteur heeft niet aangevoerd dat deze afspraak nietig of vernietigbaar is. Door akkoord te gaan, heeft hij ook het risico geaccepteerd dat latere rechtspraak anders zou uitpakken. Geen rentevergoeding Op één punt krijgt de inspecteur wel gelijk. De rechtbank had bepaald dat hij wettelijke rente moest betalen over de periode tussen betaling en teruggaaf. Het hof vernietigt dit deel van de uitspraak. Volgens de Hoge Raad biedt de vermindering van belasting al voldoende herstel, ook zonder rente. Alleen als de rente hoger is dan de vermindering, geldt een uitzondering. Daarvan is hier geen sprake. Compromis is compromis Deze uitspraak bevestigt dat een compromis bindend is, ook als latere rechtspraak een gunstigere uitkomst oplevert. Dat geldt voor beide partijen. Wie zekerheid koopt, aanvaardt de kans dat het achteraf anders had gekund. Lees meer
Systeem vergeet eerdere verrekening: navordering toegestaan Een bv ontvangt € 3,5 miljoen dubbel terug na een jarenlange procedure over verliesverrekening. Het systeem van de Belastingdienst 'vergeet' dat de voorlopige teruggaven al eerder waren teruggevorderd. De inspecteur corrigeert de fout via navorderingsaanslagen. De bv stelt dat navordering op een verliesverrekeningsbeschikking niet mogelijk is. De rechter oordeelt anders. Een automatiseringsfout bij verliesverrekening kan worden hersteld via navordering. Verlies eerst afgewezen, later alsnog geaccepteerd De bv doet in 2011 aangifte vpb 2010 met een verlies van € 17,3 miljoen. Zij vraagt voorlopige verliesverrekening (carry-back) naar de jaren 2007, 2008 en 2009. De inspecteur verleent voorlopige teruggaven van in totaal € 3,5 miljoen. In 2014 legt de inspecteur de definitieve aanslag 2010 op naar een positief belastbaar bedrag. Hij accepteert het verlies niet en vordert de voorlopige teruggaven terug via die aanslag. De bv gaat in beroep en krijgt na een procedure tot aan de Hoge Raad in 2022 alsnog gelijk. Systeem genereert dubbele teruggaaf De inspecteur moet nu alsnog definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen afgeven. Een medewerker voert het verlies in het systeem in. Het systeem maakt automatisch beschikkingen aan, maar houdt geen rekening met het feit dat de voorlopige teruggaven al waren teruggevorderd in 2014. Resultaat: de bv ontvangt opnieuw € 3,5 miljoen. Uit een interne e-mail blijkt dat de medewerker niets kon aanpassen aan de verrekening van de voorlopige teruggaven. Het systeem bevatte die informatie niet meer. Geen nieuw feit, wel kenbare fout De inspecteur kan in deze zaak niet navorderen op grond van een nieuw feit. De inspecteur wist immers wat er was gebeurd. Hij wijkt daarom uit naar navordering wegens een kenbare fout. De bv stelt dat een verliesverrekeningsbeschikking geen belastingaanslag is en dat navordering langs die weg niet mogelijk is. De rechtbank verwerpt dit. Automatiseringsfout, geen beoordelingsfout De bv stelt verder dat sprake is van een beoordelingsfout die niet via navordering kan worden hersteld. De rechtbank oordeelt anders. De fout is veroorzaakt door de geautomatiseerde verwerking, niet door een onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten of het recht. Dat de betrokken medewerkers het probleem onderkenden maar niet handmatig konden ingrijpen, maakt dit niet anders. De fout was bovendien kenbaar voor de bv: zij ontving € 3,5 miljoen dubbel. Systeemrisico's niet voor rekening samenleving De rechtbank verwijst naar de parlementaire geschiedenis. Fouten als gevolg van de geautomatiseerde werkwijze behoren niet geheel voor rekening van de Belastingdienst te blijven. Het financiële gewin van een individuele belastingplichtige bij een kenbare fout mag niet worden afgewenteld op de samenleving. De navorderingsaanslagen zijn terecht opgelegd. Lees meer
Minimumuurloon per 1 juli 2026 naar € 14,99 De bedragen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag worden halfjaarlijks gewijzigd. Per 1 juli 2026 bedraagt het minimumuurloon voor iemand van 21 jaar of ouder € 14,99. Minimumjeugdloon Voor mensen die jonger zijn dan 21 jaar, gelden van het wettelijk minimumuurloon afgeleide bedragen. Leeftijd Staffeling Per uur 21 jaar en ouder 100,0% € 14,40 20 jaar 80,0% € 11,52 19 jaar 60,0% € 8,64 18 jaar 50,0% € 7,20 17 jaar 39,5% € 5,69 16 jaar 34,5% € 4,97 15 jaar 30,0% € 4,32 Bbl Voor werknemers, die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst in de beroepsbegeleidende leerweg (bbl), gelden in de leeftijd van 18 tot en met 20 jaar afwijkende bedragen. Leeftijd Staffeling Per uur 20 jaar 61,5% € 9,22 19 jaar 52,5% € 7,87 18 jaar 45,5% € 6,82 Referentiemaandloon Het referentiemaandloon, dat wordt gebruikt voor het vaststellen van de hoogte en de indexatie van diverse uitkeringen, bedraagt per 1 juli 2026 bruto € 2.337,00 per maand. Lees meer
Rechter mag altijd recente machtiging vragen, ook bij doorlopende volmacht Een gemachtigde dient hoger beroep in met een twee jaar oude doorlopende volmacht. Het hof vraagt om een recente machtiging. De gemachtigde weigert dit en wordt vervolgens niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad oordeelt dat de bestuursrechter altijd om een recente machtiging mag vragen. Hij hoeft daarvoor geen aanwijzingen te hebben dat de eerdere volmacht is geëindigd. De Hoge Raad komt hiermee terug van een arrest uit 2013. Doorlopende volmacht uit 2022 Een no-cure-no-pay-bureau dient hoger beroep in tegen een WOZ-beschikking voor 2022. Bij het hogerberoepschrift overlegt het bureau een machtiging van 28 februari 2022. Die machtiging is in algemene termen geformuleerd. De belanghebbende machtigt medewerkers van het bureau om hem te vertegenwoordigen in ‘alle zaken betreffende de aanslag lokale belastingen en de daarop vermelde WOZ-beschikking(en)’. Het hof twijfelt of het bureau bevoegd is om de belanghebbende te vertegenwoordigen. Die twijfel baseert het hof op het tijdsverloop sinds de machtiging en op het algemene karakter ervan. Verkeerde machtiging overgelegd Het hof vraagt om een recente machtiging. Het bureau krijgt daartoe tweemaal de gelegenheid. Uiteindelijk stuurt het een machtiging van 18 maart 2024. Die is weliswaar recent, maar ziet op de WOZ-beschikking 2024, terwijl het geschil de WOZ-beschikking 2022 betreft. Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het bureau gaat in cassatie. Hoge Raad komt terug van eerder arrest De Hoge Raad oordeelt dat de bestuursrechter eisen mag stellen aan de machtiging. Hij mag vragen om een recente machtiging. Hij mag ook vragen om een machtiging die dateert van ná de bestreden uitspraak of die specifiek ziet op de procedure bij zijn gerecht. Daarvoor is niet vereist dat de rechter aanwijzingen heeft dat de eerdere volmacht is geëindigd. De Hoge Raad komt hiermee uitdrukkelijk terug van zijn arrest uit 2013. Voorzichtigheid bij procesrechtelijke volmacht De Hoge Raad motiveert zijn koerswijziging als volgt. De bepalingen over volmacht uit het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn buiten het vermogensrecht slechts van overeenkomstige toepassing voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Uit de parlementaire toelichting blijkt dat men met overeenkomstige toepassing op procesrechtelijke rechtshandelingen "uitermate voorzichtig" moet zijn. Dat rechtvaardigt dat de rechter strengere eisen stelt dan het BW voorschrijft. Ook in bezwaar en cassatie De Hoge Raad benadrukt dat deze regels gelden in bezwaar, beroep, hoger beroep én cassatie. Wie als gemachtigde optreedt, doet er goed aan te zorgen voor een actuele en specifieke machtiging. Een doorlopende volmacht van jaren geleden volstaat niet zonder meer. Lees meer
Doorgeefluik bij fraude: geen aftrek, wel afdracht Een ambtenaar koopt jarenlang privégoederen op kosten van zijn werkgever. Hij schakelt daarbij een kantoorinrichtingsbedrijf in als doorgeefluik. Dat bedrijf betaalt de leveranciers, factureert door aan de gemeente met een opslag en trekt de btw op de inkoopfacturen af. De inspecteur weigert de aftrek en heft de aan de gemeente gefactureerde btw na. Hof 's-Hertogenbosch geeft de inspecteur gelijk. Het bedrijf is geen afnemer van de leveranciers en kan de ten onrechte gefactureerde btw niet herzien. Ruim acht ton aan privé aankopen De ambtenaar is hoofd interne diensten bij een gemeente. In die functie kan hij inkoopopdrachten verstrekken en facturen betaalbaar stellen. Hij maakt daar op grote schaal misbruik van. Hij bestelt privégoederen bij leveranciers en laat de facturen richten aan een kantoorinrichtingsbedrijf dat vaste leverancier is van de gemeente. Vervolgens vraagt hij dat bedrijf de facturen te betalen, een nieuwe factuur op te maken met een opslag van ongeveer 10% en die aan de gemeente te sturen. Hij verstrekt daarvoor opdrachtbevestigingen met vage omschrijvingen als ‘gedane werkzaamheden’ of ‘geleverde materialen’. Over de jaren 2013 tot en met 2016 gaat het om ruim € 862.000. Geen afnemer, geen aftrek Het hof oordeelt dat het bedrijf geen afnemer is van de leveranciers. De ambtenaar heeft zelf contact gelegd met de leveranciers en de overeenkomsten gesloten. Het bedrijf was slechts betrokken bij de administratieve en financiële afhandeling. Dat maakt het bedrijf geen commissionair. De tussenkomst ziet immers niet op de totstandkoming van de prestaties, maar op de afwikkeling van prestaties die al tot stand waren gekomen. Het bedrijf heeft daarom geen recht op aftrek van de btw die de leveranciers in rekening hebben gebracht. Geen herziening wegens ongerechtvaardigde verrijking Het bedrijf heeft de gemeente btw in rekening gebracht terwijl het zelf geen prestaties heeft verricht. Die btw moet zij op grond van de wet afdragen. Het hof wijst het verzoekt om herziening van die btw af. Het bedrijf heeft de facturen niet gecorrigeerd. Als de btw zou worden herzien, zou het bedrijf die btw als opbrengst verkrijgen, terwijl het aan de gemeente kenbaar had gemaakt dat de btw op aangifte zou worden voldaan. Dat levert ongerechtvaardigde verrijking op. Suggestie van het hof Het resultaat is een zware financiële last voor het bedrijf: geen aftrek van voorbelasting en tegelijk afdracht van de aan de gemeente gefactureerde btw. Bovendien eist de gemeente een schadevergoeding in een civiele procedure. Het hof geeft de inspecteur in overweging een eventuele schadevergoeding aan de gemeente in mindering te brengen op de naheffingsaanslag. Voor dat bedrag is dan immers geen sprake meer van ongerechtvaardigde verrijking. Tot een compromis is het echter niet gekomen. Lees meer
Kosten exact gelijk aan omzet? Hof gelooft het niet Een dga stelt dat zijn bv structureel verlies lijdt en dat daarom geen gebruikelijk loon in aanmerking hoeft te worden genomen. Hof Amsterdam gelooft hem niet. De aangiften vennootschapsbelasting (vpb) tonen jarenlang kosten die nagenoeg exact gelijk zijn aan de omzet. Dat is zonder nadere toelichting onwaarschijnlijk. Bovendien ontbreken banksaldi en eigen vermogen op de balansen, terwijl de bv wel een bankrekening heeft. Geen aangifte loonheffingen De bv verhuurt onroerend goed. De dga is enig aandeelhouder en bestuurder. Hij verricht werkzaamheden voor de bv, waaronder het aangaan van huur- en koopovereenkomsten. De bv heeft zich niet aangemeld als inhoudingsplichtige en heeft geen aangiften loonheffingen ingediend. De dga ontvangt wel loon via een payrollbedrijf, maar die loonkosten zijn niet doorberekend aan de bv. De inspecteur legt een naheffingsaanslag op van € 13.210, gebaseerd op een gebruikelijk loon van € 28.125 over 2017 en 2018 gezamenlijk. Daarbij past de inspecteur een deeltijdfactor van 50% toe. Beroep op structureel verlies De bv stelt dat zij in de betreffende jaren geen winst heeft behaald en dat op die grond geen gebruikelijk loon in aanmerking hoeft te worden genomen. De omzet schommelt volgens de bv al jaren rond de € 17.000. De inspecteur betwist dit. Uit de aangiften vennootschapsbelasting over 2019 tot en met 2024 blijkt dat de omzet beduidend hoger is: tussen de € 25.000 en € 66.000 per jaar. Onwaarschijnlijke kostenpatronen Het hof oordeelt dat de bv niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een langdurige verliessituatie. In de aangiften vennootschapsbelasting over 2019 tot en met 2024 zijn de kosten telkens nagenoeg gelijk aan de omzet. Dat is zonder adequate toelichting van de bv op z’n minst genomen onwaarschijnlijk. Bovendien bevatten de balansen geen banksaldi, terwijl vaststaat dat de bv wel een bankrekening heeft. Ook ontbreekt een eigen vermogen op de balansen. De bv heeft voor deze constateringen geen adequate verklaring gegeven. Inspecteur vpb nam gebruikelijk loon als kosten De inspecteur loonheffingen heeft telefonisch contact gehad met de inspecteur vpb. Die verklaarde dat bij de aanslagen vpb over 2019, 2020 en 2021 de door de bv opgevoerde kosten afdoende onderbouwing missen. De inspecteur heeft daarom in elk van die jaren een gebruikelijk loon als kosten in aanmerking genomen. Daarvan uitgaande is een structureel verlies voor die jaren niet aannemelijk geworden. Onderbouw de verliessituatie Deze uitspraak laat zien dat een beroep op een structurele verliessituatie om het gebruikelijk loon te verlagen een goede onderbouwing vereist. Aangiften waarin de kosten telkens exact gelijk zijn aan de omzet roepen vragen op. Incomplete balansen versterken het wantrouwen. Lees meer
Kleine AOW, grote gevolgen Een vrouw ontvangt een AOW-uitkering van slechts € 328 per jaar. Daarnaast ontvangt zij ruim € 26.000 aan Duits pensioen. Door die minimale AOW is zij in Nederland verzekerd voor de Zorgverzekeringswet (Zvw). De Zvw-heffing wordt berekend over haar volledige inkomen, inclusief het Duitse pensioen. Zij vraagt de SVB om de AOW met terugwerkende kracht stop te zetten, maar dient haar bezwaar te laat in. De belastingrechter kan haar niet helpen. Geen ontheffing Zvw De vrouw woont in Nederland en ontvangt pensioen uit Duitsland. In 2007 verleent de SVB haar ontheffing van de verplichte verzekering voor de AOW, de Algemene nabestaandenwet en de Algemene Kinderbijslagwet. Die ontheffing geldt echter niet voor de AWBZ en evenmin voor de Zvw. Zij ontvangt een kleine AOW-uitkering van € 328 per jaar. Die uitkering maakt haar verzekeringsplichtig voor de Zvw. De inspecteur legt een aanslag Zvw op over een bijdrage-inkomen van € 26.258, het totaal van haar Duitse pensioenuitkeringen. Bezwaar bij SVB te laat De vrouw vraagt de SVB om de AOW-uitkering te beëindigen. De SVB stopt de uitkering per 1 december 2023, maar weigert terugwerkende kracht tot 2019. De vrouw maakt bezwaar tegen die weigering, maar dient het bezwaar te laat in. De rechtbank verklaart haar beroep ongegrond. Vervolgens wendt zij zich tot de belastingrechter met het verzoek om de SVB op te dragen de uitkering alsnog met terugwerkende kracht stop te zetten. Inspecteur gaf tijdig advies De vrouw stelt ook dat de inspecteur haar had moeten wijzen op de mogelijkheid om bij de SVB ontheffing te vragen. Het hof verwerpt dit. De inspecteur heeft haar gemachtigde al op 23 oktober 2023 per e-mail geadviseerd om de SVB te vragen de verzekeringsplicht stop te zetten en te vragen of de ontvangen AOW-uitkering terugbetaald kan worden. Dat was ruim vóór de aanslag van 28 november 2023. Van een tekortkoming in de voorlichtende taak is dan ook geen sprake. Belastingrechter niet bevoegd Het hof oordeelt dat de aanslag Zvw rechtmatig is. De vrouw is verzekerd, dus is zij de bijdrage verschuldigd. Het hof is als belastingrechter niet bevoegd om de SVB op te dragen de verzekeringsplicht met terugwerkende kracht stop te zetten. Tegen beslissingen van de SVB staan rechtsmiddelen open bij de algemene bestuursrechter. De vrouw heeft die route bewandeld, maar haar bezwaar was te laat. Termijnen zijn streng Deze uitspraak illustreert hoe een kleine AOW-uitkering grote fiscale gevolgen kan hebben. Door de verzekeringsplicht die voortvloeit uit die uitkering wordt het volledige buitenlandse pensioen in de Zvw-heffing betrokken. Wie dat wil voorkomen, moet tijdig actie ondernemen bij de SVB. Een te laat ingediend bezwaar sluit de deur naar een inhoudelijke beoordeling. Lees meer
Aftrek maximaal 19 cent per kilometer Een krantenbezorger rijdt jaarlijks ruim 20.000 kilometer met zijn eigen auto, zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen. In zijn aangifte brengt hij 40 cent per kilometer in aftrek. De inspecteur staat slechts 19 cent toe. De bezorger distribueert kranten naar depots en bezorgt kranten aan huis. In 2018 rijdt hij hiervoor 20.916 kilometer met zijn privéauto. Hij ontvangt geen kilometervergoeding. In zijn aangifte brengt hij € 8.367 aan autokosten in aftrek, gebaseerd op 40 cent per kilometer volgens de ANWB-tool. Dat bedrag is volgens hem eigenlijk nog te laag, omdat krantenbezorging door het vele starten en stoppen tot extra slijtage leidt. Wet maximeert aftrek De bezorger beroept zich op het Convenant Uitgeefsector, waarin staat dat de werkelijk gemaakte kosten in aanmerking moeten worden genomen. Het hof gaat hier niet in mee. Die bepaling geldt voor opdrachtgevers, niet voor opdrachtnemers. Voor de inkomstenbelasting maximeert de wet de aftrek, voor een tot het privévermogen behorend vervoermiddel, op 19 cent per kilometer. Het doet er niet toe dat de werkelijke kosten hoger zijn. De aftrek blijft beperkt tot € 3.974. Expliciet voorbehoud voorkomt vertrouwen De bezorger beroept zich ook op het vertrouwensbeginsel. De inspecteur heeft in een eerdere procedure over 2017 zijn aangifte gevolgd. Het hof gaat hier evenmin in mee. De inspecteur heeft destijds expliciet verklaard: ‘Voor dit jaar wil ik de kosten accepteren. Omdat het doorspeelt naar volgende jaren, kunnen er geen rechten aan deze toezegging worden ontleend’. Aan die uitlating kan de bezorger geen vertrouwen ontlenen voor latere jaren. Twee lessen Deze uitspraak illustreert twee punten. Ten eerste past de rechter de wettelijke maximering van de kilometervergoeding strikt toe, ongeacht de werkelijke kosten. Ten tweede voorkomt een expliciet voorbehoud bij een toezegging dat de belastingplichtige daaraan vertrouwen kan ontlenen voor latere jaren. Lees meer
Legitieme portie onder oud erfrecht is geen vordering Een zoon woont jarenlang samen met zijn moeder en verleent haar mantelzorg. De vader is in 1995 overleden. In zijn testament heeft hij zijn echtgenote tot enig erfgenaam benoemd. De twee zonen doen echter een beroep op hun legitieme portie, die samen 4/9e deel van vaders nalatenschap bedraagt. Tot die nalatenschap behoort onder meer vaders aandeel in de echtelijke woning. De woning blijft ook na zijn overlijden op zijn naam staan. In 2019 overlijdt moeder. Goederenrechtelijke aanspraak, geen vordering De Hoge Raad oordeelt dat een beroep op de legitieme portie onder het oude erfrecht leidt tot een goederenrechtelijke aanspraak op de goederen van de nalatenschap. Dat erfrecht gold tot 1 januari 2003. Door het inroepen van hun legitieme portie zijn de zonen deelgenoten geworden in vaders nalatenschap. Zij hebben daarmee geen vordering op moeder gekregen. Een dergelijke vordering had wel kunnen ontstaan bij een latere verdeling, maar die verdeling heeft nooit plaatsgevonden. Zonder vordering is er dan ook geen rente te berekenen. Aanspraak niet uitgewerkt Het hof oordeelt dat de goederenrechtelijke aanspraak van de zonen ten tijde van moeders overlijden is uitgewerkt op grond van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. De Hoge Raad corrigeert dit. Die wet vereist slechts dat de legitimaris binnen de gestelde termijn verklaart dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen. Hij hoeft binnen die termijn niet ook daadwerkelijk verdeling te vorderen. De aanspraak van de zonen is dus niet uitgewerkt. Bij de vaststelling van moeders nalatenschap moet dan ook rekening worden gehouden met die aanspraak, door 4/9e van vaders deel van de woning in mindering te brengen. Geen partnervrijstelling voor kind De zoon beroept zich ook op de partnervrijstelling. Hij heeft jarenlang samengewoond met zijn moeder en haar mantelzorg verleend. Onder de destijds geldende wet bestaat weliswaar een verzachting voor mantelzorgers, maar die geldt niet voor bloedverwanten in de rechte lijn. De zoon heeft geen recht op de partnervrijstelling. Oud erfrecht werkt nog door Dit arrest is relevant voor nalatenschappen die vóór 2003 zijn opengevallen en nog niet volledig zijn afgewikkeld. Onder het oude erfrecht geeft een beroep op de legitieme portie een goederenrechtelijke aanspraak, geen vordering. Die aanspraak kan nog steeds geldend worden gemaakt, ook nu het nieuwe erfrecht al meer dan twintig jaar van kracht is. Lees meer
Kosten eHerkenning geen excuus Een bv heeft over de jaren 2019 tot en met 2021 geen aangiften vpb gedaan. De bv stelt dat dit komt doordat aangifte alleen mogelijk is met eHerkenning. De hiervoor verschuldigde kosten kan zij niet betalen. De inspecteur legt hierop ambtshalve nihilaanslagen vpb op voor deze jaren en een verzuimboete van € 2.757 voor het jaar 2021. Kosten eHerkenning niet onevenredig Kosten van eHerkenning zijn niet van een zodanige omvang dat zij onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de staatssecretaris van Financiën met de invoering van eHerkenning nastreeft. Zolang de bv bestaat moet zij jaarlijks, met gebruik van eHerkenning, aangifte vpb doen. De bv heeft bovendien niets aangevoerd over geleden verliezen in de betreffende jaren. De beroepen tegen de nihilaanslagen zijn daarom ongegrond. Verzuimboete verminderd De bv erkent dat zij de aangiften vpb over de jaren 2019 tot en met 2021 niet (tijdig) heeft gedaan. Het opleggen van een verzuimboete voor het jaar 2021 is dan ook terecht gebeurd. De rechtbank vermindert de verzuimboete wel in verband met de financiële omstandigheden van de bv. De boete wordt daarom eerst verminderd tot € 500. Overschrijding redelijke termijn De boete wordt verder verminderd in verband met 'undue delay', oftewel de overschrijding van de redelijke termijn. Sinds de aankondiging van de boete zijn ruim 42 maanden verstreken. De redelijke termijn van twee jaar is daarmee met 18 maanden overschreden. De boete wordt gematigd met 15% tot € 425. Lees meer
Vooruitbetaalde zorgpremie geen aftrekbare schuld in box 3 Een vrouw moet haar huurtoeslag over 2021 terugbetalen, omdat haar box 3-vermogen te hoog is. Om haar vermogen te verlagen, probeert zij vooruitbetaalde zorgpremies als schuld op te voeren. Aangifte en huurtoeslag Voor het jaar 2021 doet de vrouw aangifte met een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil, gebaseerd op bezittingen van € 36.342 en geen aftrekbare schulden. De definitieve aanslag wordt conform deze aangifte opgelegd. Later ontvangt zij de definitieve berekening van haar huurtoeslag over 2021, die op € 0 wordt vastgesteld, omdat haar vermogen te hoog is. Voor alleenstaanden geldt in 2021 een vermogensgrens van € 31.340 voor de huurtoeslag. Verzoek om schuldenaftrek De vrouw dient een bezwaar in. Zij wil een DUO-schuld van € 4.671 en een creditcardschuld van € 1.952 in aanmerking nemen. Later voegt zij hieraan een schuld van € 1.805 toe voor de vooruitbetaalde zorgverzekeringspremies voor 2021. De vrouw heeft in 2020 toegezegd de premie voor 2021 ineens te betalen. De inspecteur verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk, behandelt het als verzoek om ambtshalve vermindering en neemt de DUO- en creditcardschuld mee (na toepassing van de schuldendrempel), maar de zorgpremies niet. De rendementsgrondslag wordt vastgesteld op € 32.909. Nog steeds boven de vermogensgrens voor de huurtoeslag. Geen schuld De rechtbank oordeelt dat voor een box 3-schuld is vereist dat deze op de peildatum (1 januari 2021) bestaat en een waarde in het economische verkeer heeft. Op 1 januari 2021 bestaat er, ondanks de toezegging, nog geen verplichting tot betaling van de zorgpremies. Bovendien vormt de zorgverzekering een samenhangend geheel van rechten en verplichtingen (premie versus dekking). Zolang het recht op dekking en de verplichting tot betaling beide bestaan, vertegenwoordigt dit per saldo geen waarde in het economische verkeer. De vooruitbetaalde zorgpremie is daarom geen aftrekbare schuld in box 3. De rechtbank ziet geen aanleiding om de wettelijke box 3-regels, inclusief de schuldendrempel, buiten beschouwing te laten vanwege de invloed op toeslagen. Lees meer
Btw volledig aftrekbaar dankzij oude afspraak Een zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking bouwt een nieuw complex met productieruimten. In die ruimten maken cliënten goederen voor de verkoop, zoals vogelhuisjes, tassen en bakkerijproducten. Ook verrichten zij diensten aan derden, zoals verpakkingswerk. De instelling wil de btw op de bouwkosten volledig aftrekken. Inspecteur: gemengd gebruik De inspecteur gaat niet mee in volledige aftrek. De productieruimten worden niet alleen gebruikt voor belaste verkoop, maar ook voor de dagbesteding van cliënten. Die dagbesteding is een vrijgestelde prestatie waarvoor de instelling een vergoeding ontvangt uit publieke middelen. Er is dus sprake van gemengd gebruik. De inspecteur staat daarom slechts 4% btw-aftrek toe, berekend naar de verhouding tussen belaste en vrijgestelde omzet. Rechtbank: inspecteur heeft wettelijk gelijk De rechtbank oordeelt dat de inspecteur wettelijk gezien gelijk heeft. Echter, in 2007 heeft de instelling de Belastingdienst gevraagd om bevestiging van haar werkwijze. Zij stuurde daarbij een overzicht mee van al haar locaties met de gehanteerde aftrekpercentages. Voor de productielocaties hanteerde zij 100% aftrek. In 2009 heeft de Belastingdienst een boekenonderzoek uitgevoerd. In het controlerapport staat: "Op basis van bovengenoemde specificaties en de gepresenteerde cijfers wordt toegestaan dat de toegepaste percentages bij ongewijzigde omstandigheden tot nadere afspraak worden gehanteerd." Afspraak geldt ook voor nieuw complex De rechtbank honoreert het beroep op het vertrouwensbeginsel. Relevant voor dit oordeel is dat de activiteiten sinds 2009 niet zijn veranderd. Het enige verschil is dat de productielocaties nu worden samengevoegd in één nieuw complex. De rechtbank verwerpt de stelling van de inspecteur dat de afspraak uit het boekenonderzoek niet geldt voor nieuwe gebouwen. Als de inspecteur had willen voorkomen dat de afspraak zou gelden voor nieuwe investeringen, had hij een duidelijk voorbehoud moeten maken. Dat heeft hij niet gedaan en daarnaast is de afspraak nooit opgezegd. De instelling mag de btw op de bouwkosten van de productieruimten daarom volledig aftrekken. Lees meer
Consulente relatiebureau geen ondernemer Een consulente sluit in 2011 een overeenkomst met een relatiebureau voor bemiddelingsdiensten, waarvoor zij een provisie ontvangt. Zij geeft haar inkomsten, variërend van € 11.705 (2016) tot € 17.023 (2019), aan als winst uit onderneming. Na een boekenonderzoek concludeert de inspecteur dat de inkomsten als loon uit (fictieve) dienstbetrekking moeten worden gekwalificeerd. Winst uit onderneming? Het hof oordeelt dat de consulente onvoldoende zelfstandigheid en ondernemersrisico bezit. De consulente is verplicht de formulieren en betalingsafspraken van het bureau te gebruiken. Bij afwezigheid moet zij vervanging regelen via een andere consulent van het bureau. Verder is er geen bewijs van onderhandeling over de provisie. Bovendien heeft de consulente slechts één opdrachtgever, een overeenkomst voor onbepaalde tijd en geen aantoonbaar debiteuren- of investeringsrisico. Ook treedt zij niet naar buiten als ondernemer. De inkomsten kwalificeren daarom niet als winst uit onderneming. Fictieve dienstbetrekking Het hof concludeert dat er sprake is van een fictieve dienstbetrekking. De consulente verleent tegen beloning structureel bemiddeling om overeenkomsten tussen cliënten en het relatiebureau tot stand te brengen. De consulente werkt exclusief voor het bureau, wordt niet bijgestaan door anderen en haar inkomsten (provisie) zijn direct gekoppeld aan haar bemiddelingsactiviteiten. De navorderingsaanslagen zijn terecht. Lees meer
Vereenvoudiging partnerbegrip Toeslagen Via het toeslagenstelsel wordt jaarlijks ruim € 20 miljard uitgekeerd aan circa 10 miljoen mensen in Nederland. Het stelsel is complex. De gevolgen van veranderingen in de leefsituatie op het recht op toeslagen zijn niet altijd te overzien. Enkele van de meest prangende knelpunten in het huidige toeslagstelsel doen zich voor binnen het partnerbegrip voor de toeslagen (toeslagpartnerbegrip). De staatssecretaris van Financiën stelt voor om per 1 januari 2027 het toeslagpartnerbegrip te vereenvoudigen. Criterium samengestelde gezinnen vervalt Het criterium dat twee meerderjarigen op hetzelfde adres met een minderjarig kind van een van hen als toeslagpartner aanmerkt, komt te vervallen. Dit leidde vaak tot ongewenste partnerschappen, bijvoorbeeld bij mantelzorgers of woningdelers. Naar schatting 10.000 burgers worden hierdoor niet langer onbedoeld als toeslagpartner aangemerkt. Zij ontvangen in de nieuwe situatie dezelfde toeslagen als alleenstaanden, wat duizenden euro's per jaar kan schelen. Dit vereenvoudigt het toeslagpartnerbegrip voor burgers en de Dienst Toeslagen. Toeslagpartnerschap in voorafgaand jaar en rest van het jaar geschrapt Het criterium, dat mensen als toeslagpartner aanmerkt omdat zij in een kalenderjaar elkaars toeslagpartner waren en in het daaropvolgende jaar op hetzelfde adres wonen, wordt geschrapt. Ook het criterium dat mensen, die een deel van het jaar toeslagpartner zijn, voor de rest van dat jaar als partner worden aangemerkt, komt te vervallen. Uitzondering voor ontheemden uit Oekraïne vervalt De uitzondering, die ontheemden uit Oekraïne niet als medebewoner voor de huurtoeslag aanmerkt, komt te vervallen. Vanaf 1 januari 2027 tellen hun inkomen en vermogen mee bij de berekening van de huurtoeslag van het gasthuishouden. Dit normaliseert hun juridische positie en sluit aan bij het streven dat zij naar vermogen meedoen en meebetalen. Minderjarigen geen toeslagpartner Voortaan ontstaat geen toeslagpartnerschap wanneer ten minste één van de partners minderjarig is. Dit voorkomt financiële problemen voor minderjarige ouders die anders de alleenstaande ouderkop in het kindgebonden budget zouden mislopen. Zodra de jongere partner meerderjarig wordt en zij nog samenwonen, ontstaat alsnog een toeslagpartnerschap. Verlaging vermogensgrenzen zorgtoeslag en kindgebonden budget Ter dekking van de kosten van de vereenvoudigingsmaatregelen worden de vermogensgrenzen voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget verlaagd. Per 1 januari 2027 dalen deze grenzen met bijna € 30.000. Deze verlaging raakt ongeveer 50.000 huishoudens die hierdoor hun recht op één of beide toeslagen verliezen. Lees meer
Maatregelen energiecrisis Het kabinet heeft een aantal maatregelen aangekondigd in verband met gestegen energiekosten. Anders dan door velen gevraagd, komt er geen verlaging van de accijnzen op brandstoffen. Reiskostenvergoeding In plaats daarvan wil het kabinet de maximale onbelaste reiskostenvergoeding met terugwerkende kracht tot 1 januari verhogen van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. Wil deze maatregel effect hebben, dan heeft het kabinet de medewerking van werkgevers nodig. De verhoging van de onbelaste vergoeding zou een prijsstijging van circa 30 cent per liter brandstof moeten compenseren. Maatregelen voor bedrijven Per 1 juli wordt de motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s van ondernemers voor een half jaar gehalveerd. Voor vrachtauto’s gaat in die periode een nihiltarief gelden. De garantieregeling ondernemersfinanciering (GO) wordt met vijf jaar verlengd, terwijl het borgstellingsdeel van het Borgstellingskrediet MKB (BMKB) voor de duur van een jaar wordt verhoogd. Voor de visserijsector komt in het derde kwartaal een energie-efficiëntieregeling. Het kabinet maakt hiervoor € 25 miljoen vrij op de begroting van het ministerie van LVVN. Er wordt versneld geld uit het Klimaat- en Energiefonds overgeheveld om het MKB te ondersteunen bij het nemen van energiebesparende maatregelen. De Energie-investeringsaftrek (EIA) wordt per 1 januari 2027 verhoogd van 40% naar 45,5%. Energiebesparing Om de verduurzaming van woningen te versnellen maakt het kabinet geld vrij voor het Warmtefonds en voor het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. Ook wordt er in 2027 geld vrijgemaakt voor de Subsidieregeling verduurzaming verenigingen van eigenaars (SVVE). Via het Nationaal Warmtefonds kunnen woningeigenaren een lening krijgen om hun woning te verduurzamen, ongeacht de hoogte van hun inkomen. Noodfonds energie Er komt een noodfonds energie voor mensen met een laag inkomen en een hoge energierekening. De hoogte van de steun wordt gekoppeld aan de hoogte van de energieprijzen. Inruilregeling In het vierde kwartaal van 2026 komt er een inruilregeling voor oude fossiele brandstofauto’s. Deze regeling is een subsidie op de aanschaf van een gebruikte elektrische auto. De ingeruilde auto wordt vervolgens gesloopt. Deze regeling is bedoeld voor lagere inkomens. Dalurenkaart openbaar vervoer Tijdens de behandeling van de plannen in de Tweede Kamer heeft het kabinet het voorstel overgenomen om voor de zomermaanden een dalurenkaart voor het openbaar vervoer toe te voegen. Daarmee is het mogelijk om tegen een vast tarief per maand onbeperkt te reizen buiten de spitsuren. Bekostiging Deze maatregelen worden bekostigd door de afschaffing van de startersaftrek voor beginnende ondernemers en door versobering van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA). Verder wordt de accijns op alcoholhoudende dranken voortaan jaarlijks geïndexeerd. De maatregelen voor energiebesparing en de inruilregeling voor fossiele brandstofauto’s worden gefinancierd uit het Klimaat- en Energiefonds. Lees meer
Tariefmaatregel partneralimentatie: belasting hoger dan aftrek Voor zover iemands inkomen uit werk en woning zonder de aftrekposten in de hoogste tariefschijf valt, geldt een lager tarief voor de aftrekposten. Dit wordt de tariefmaatregel genoemd. De inspecteur past bij het opleggen van de aanslagen de tariefmaatregel toe bij een man die in 2021 en 2022 alimentatie aan zijn ex-partner betaalt. Dit resulteert in een tariefsaanpassing van 6,5% (2021) en 9,5% (2022) in de hoogste schijf. De man stelt dat de uitgaven voor onderhoudsverplichtingen tegen het progressieve tarief aftrekbaar moeten zijn, zonder toepassing van de tariefmaatregel. De betalingen worden bij zijn ex immers ook progressief belast. De rechtbank oordeelt dat de tariefmaatregel rechtstreeks voortvloeit uit de wet. Afwijking is slechts bij hoge uitzondering mogelijk. De wetgever heeft de gevolgen van de tariefmaatregel, inclusief het verschil in tarief voor betaler en ontvanger van partneralimentatie, expliciet overwogen. Ook de stelling over discriminatie en eigendomsrecht wordt verworpen, omdat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en de gemaakte keuzes niet onredelijk zijn. De man stelt tenslotte dat de regels niet tijdens een lopende alimentatieovereenkomst hadden mogen worden aangepast. Nog daargelaten of dit mogelijk is, is daar in deze situatie geen sprake van. De alimentatieovereenkomst is in 2021 gesloten, terwijl de tariefmaatregel al in 2020 werd ingevoerd. De rechtbank concludeert dat de tariefmaatregel terecht is toegepast. Lees meer
Vinden droomwoning geen excuus Een echtpaar koopt een woning. Om aanspraak te maken op het verlaagde tarief van de overdrachtsbelasting verklaren zij de woning als hoofdverblijf te zullen gebruiken. Nog voor de levering van deze woning vinden zij echter hun droomwoning. Pas na de levering van de eerste woning wordt de financiering van de droomwoning goedgekeurd. Het echtpaar stelt dat het vinden van hun droomwoning en de financieringsmoeilijkheden onvoorziene omstandigheden zijn. Als de financiering niet was gelukt, hadden ze de eerste woning als hoofdverblijf in gebruik genomen. Omdat de eerste woning nooit werd bewoond, legt de inspecteur naheffingsaanslagen op. De wetsgeschiedenis noemt voorbeelden als overlijden, echtscheiding, baanverlies en het aanvaarden van een baan in een andere regio of emigratie, die redelijkerwijs het niet-bewonen van de woning als hoofdverblijf kunnen rechtvaardigen. Het hof oordeelt dat het verkrijgen van de droomwoning niet als zodanige onvoorziene omstandigheden geldt. Het verlaagde tarief van 2% is daarom niet van toepassing. De naheffingsaanslagen zijn terecht opgelegd. Lees meer
Oude verliezen verrekenen na uitbreiding fiscale eenheid: meer ruimte dan gedacht Een fiscale eenheid groeit in de loop der jaren flink. Na uitbreiding met een winstgevende vennootschap wil de moedermaatschappij oude verliezen verrekenen. De Belastingdienst weigert dat. Volgens de inspecteur moet je eerst kijken naar het resultaat van de oorspronkelijke groep vennootschappen. Die groep maakt als geheel verlies, dus is er geen ruimte voor verliesverrekening. De rechter is het daar niet mee eens. Van verlies naar winst De moedermaatschappij vormt sinds 2015 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Die fiscale eenheid wordt in de loop der jaren meermalen uitgebreid. In 2016 komt er een andere bestaande fiscale eenheid bij. In 2017 lijdt de gecombineerde groep een fors verlies van ruim € 550 miljoen. In 2019 voegt de moedermaatschappij opnieuw vennootschappen toe aan de fiscale eenheid. Een van de vennootschappen blijkt bijzonder winstgevend. In 2020 maakt de hele fiscale eenheid een winst van € 202 miljoen. Die winst komt vrijwel volledig van de in 2019 toegevoegde vennootschap. Oude verliezen verrekenen De moedermaatschappij wil het verlies uit 2017 verrekenen met de winst van 2020. Dat kan alleen met winst die toerekenbaar is aan de vennootschappen die in 2017 al tot de fiscale eenheid behoorden. De moedermaatschappij maakt zelf in 2020 echter verlies. De andere vennootschappen uit 2017 maken samen wel winst. De moedermaatschappij brengt haar eigen verlies in mindering op de winst van de in 2019 gevoegde vennootschap. Zo blijft de winst van de andere vennootschappen uit 2017 beschikbaar voor verrekening met het verlies uit 2017. De inspecteur accepteert deze werkwijze niet. Inspecteur hanteert clusterbenadering De inspecteur past de zogenoemde clusterbenadering toe. Die benadering houdt in dat je alle vennootschappen die in 2017 tot de fiscale eenheid behoorden, als één geheel beziet. Dat cluster maakt in 2020 per saldo verlies. Er is dus geen winst beschikbaar om het verlies uit 2017 mee te verrekenen. De inspecteur baseert zich op een beleidsbesluit uit 2024. De moedermaatschappij gaat in beroep. Rechtbank: geen dwingend voorschrift De rechtbank volgt de inspecteur niet. Het Besluit Fiscale Eenheid schrijft de clusterbenadering niet dwingend voor. Het woord 'ook' laat ruimte voor een andere benadering. De toelichting beperkt de clusterbenadering tot de vraag of sprake is van voorvoegingsverliezen. Zij strekt zich niet uit tot de bepaling van de voor verrekening vatbare winst in het jaar van verrekening. Een voorbeeld uit de parlementaire geschiedenis ondersteunt die uitleg. Doel horizontale verliesverrekening Het doel van horizontale verliesverrekening is te voorkomen dat meer verlies wordt verrekend dan de winst die bij de fiscale eenheid tot uitdrukking komt. De benadering van de moedermaatschappij voldoet aan die eis. Zij verrekent niet meer dan de winst van de fiscale eenheid. Van ongeoorloofde kruislingse verliesverrekening is geen sprake. Het beleidsbesluit uit 2024 dateert van na het belastingjaar 2020 en kan de inspecteur niet helpen. Forse verlaging belastbaar bedrag De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Het belastbaar bedrag daalt van € 197 miljoen naar € 59,5 miljoen. De verliesverrekeningsbeschikking wordt vastgesteld op € 142 miljoen in plaats van € 4,5 miljoen. De inspecteur kan nog in hoger beroep. Lees meer
Autohandelaar ontsnapt deels aan btw-naheffing van € 3,5 miljoen Een autohandelaar koopt honderden gebruikte auto's van twee leveranciers. Die leveranciers factureren de auto's als marge-auto's. De autohandelaar past daarom de margeregeling toe en draagt alleen btw af over zijn winstmarge. De inspecteur stelt dat de auto's helemaal geen marge-auto's zijn en legt een naheffingsaanslag op van € 3,5 miljoen. Hoe werkt de margeregeling? De margeregeling is een bijzondere btw-regeling voor handelaren in gebruikte goederen. Normaal gesproken berekent een ondernemer btw over de volledige verkoopprijs. Bij de margeregeling berekent hij alleen btw over zijn winstmarge: het verschil tussen in- en verkoopprijs. Dat scheelt flink. Die regeling mag echter alleen worden toegepast als de auto afkomstig is van iemand die zelf geen btw kan aftrekken. Denk aan een particulier of een vrijgestelde ondernemer. Als de auto afkomstig is van een btw-ondernemer, die wel recht heeft op aftrek, is de margeregeling niet van toepassing. Dan moet btw worden berekend over de volledige verkoopprijs. Transformeren naar marge-auto In de autobranche worden auto's soms ten onrechte als marge-auto gefactureerd, terwijl ze dat eigenlijk niet zijn. Dat heet in de branche transformeren. Een Duitse leasemaatschappij verkoopt een auto met btw aan een tussenhandelaar. Die tussenhandelaar factureert de auto vervolgens door als marge-auto, zonder btw. De koper past de margeregeling toe en draagt alleen btw af over zijn winstmarge. De btw over de inkoopprijs verdwijnt zo uit het zicht. De autohandelaar in deze zaak kocht tussen 2020 en 2023 honderden auto's van twee leveranciers. Die leveranciers factureerden vrijwel alle auto's als marge-auto's. Twee situaties, twee uitkomsten Bij 134 auto's beschikte de autohandelaar over de Duitse kentekenpapieren en verzorgde hij zelf de bpm-aangifte. Bij 227 andere auto's had hij die papieren niet. De rechtbank oordeelt dat dit onderscheid beslissend is. Bij de eerste groep kon de autohandelaar op de Duitse papieren zien dat de auto's eerder in handen waren van Duitse rechtspersonen. Dat had hem moeten alarmeren. Rechtspersonen zijn vaak btw-ondernemers die recht op aftrek hebben. In combinatie met zijn jarenlange ervaring in de branche had hij nader onderzoek moeten doen. Dat heeft hij niet gedaan. De naheffing voor deze 134 auto's blijft in stand. Zonder papieren geen onderzoeksplicht Voor de andere 227 auto's oordeelt de rechtbank anders. De autohandelaar had bij deze auto's alleen de facturen van zijn leverancier. Hij beschikte niet over de Duitse papieren. De rechtbank vindt de overige omstandigheden onvoldoende om voor al deze auto's een onderzoeksplicht aan te nemen. De autohandelaar mocht afgaan op de facturen van zijn leveranciers. Hij wordt voor deze auto's gevrijwaard van naheffing. Lees meer
Ingehouden dividendbelasting moet worden afgedragen Wie dividendbelasting inhoudt, moet die ook afdragen. Het argument dat de belasting materieel niet verschuldigd is, helpt niet. Dat verweer had de bv moeten voeren door bezwaar te maken tegen haar eigen afdracht, niet door de afdracht simpelweg achterwege te laten. Internationale structuur Een Nederlandse bv maakt deel uit van een internationale structuur. Via een Luxemburgse vennootschap ontvangt zij dividenden van € 300 miljoen. Die dividenden keert zij vrijwel volledig uit aan een Britse vennootschap. Op papier houdt de bv 15% dividendbelasting in: bijna € 45 miljoen. Maar zij draagt niets af. In haar aangifte claimt zij een vermindering ter grootte van de Luxemburgse bronbelasting die op de ontvangen dividenden zou drukken. Het probleem is dat die Luxemburgse belasting elders in de structuur volledig werd teruggevraagd. Per saldo betaalde niemand belasting. Kunstmatige constructie De inspecteur stelt een onderzoek in en legt een naheffingsaanslag op van bijna € 45 miljoen, plus een boete van ruim € 22 miljoen. De bv maakt bezwaar. In een eerdere procedure over de vennootschapsbelasting had het hof al geoordeeld dat de bv slechts een dienstverlenende rol speelt in een volstrekt kunstmatige structuur. De dividenden behoren niet tot haar winst. Op basis van die uitspraak vernietigt de rechtbank de naheffingsaanslag. Als er geen echte dividenden bestaan, hoeft er ook geen dividendbelasting te worden ingehouden. Hof: ingehouden is ingehouden De inspecteur gaat in hoger beroep en krijgt gelijk. Het hof wijst op een belangrijk onderscheid. De bv heeft zelf besloten dividend uit te keren en heeft zelf dividendbelasting ingehouden. Dat blijkt uit de dividendnota's. Uit de wet volgt dat degene die dividendbelasting inhoudt, deze ook moet afdragen. Zelfs als achteraf blijkt dat de inhouding ten onrechte heeft plaatsgevonden. De bv kan zich als inhoudingsplichtige niet verweren met het argument dat de belasting materieel niet verschuldigd was. Daarvoor had zij bezwaar moeten maken tegen haar eigen afdracht. Geen recht op vermindering De bv had de afdracht achterwege gelaten door een vermindering te claimen voor buitenlandse bronbelasting. Maar die vermindering geldt alleen als de buitenlandse belasting daadwerkelijk drukt op de ontvangen dividenden. Dat is hier niet het geval. De Luxemburgse belasting werd in dezelfde structuur teruggevraagd en uit interne aantekeningen en e-mails blijkt dat de bestuurders van de bv dit wisten. Zij kozen er bewust voor de vermindering toch te claimen. Boete blijft in stand Het hof oordeelt dat de bv opzettelijk te weinig belasting heeft afgedragen. De bestuurders werkten nauw samen met de buitenlandse partijen en waren volledig op de hoogte van het kunstmatige karakter van de structuur. Zij wisten dat per saldo geen Luxemburgse belasting werd betaald. Toch claimden zij de vermindering. Dat de bv zich liet bijstaan door een belastingadvieskantoor, maakt het standpunt niet pleitbaar. De boete van 50% is passend, ook al gaat het om ruim € 22 miljoen. Lees meer
Nieuwe bank Belastingdienst Per 1 mei 2026 heeft de Belastingdienst nieuwe rekeningnummers. Dit komt door de overstap van ING naar Rabobank. Het meest gebruikte nieuwe rekeningnummer is: NL04 RABO 0200 1122 44. Het nieuwe rekeningnummer staat op de website en in de berichten die de Belastingdienst stuurt. Ook worden de belastingteruggaven overgemaakt vanaf het nieuwe rekeningnummer. In veel gevallen verloopt de overgang automatisch. Of actie nodig is, hangt af van de manier waarop betalingen worden gedaan. Betalen via iDEAL | Wero Bij betalingen via iDEAL | Wero in het overzicht betalen en ontvangen wordt automatisch het nieuwe rekeningnummer gebruikt. Hiervoor is geen aanpassing nodig. Automatische incasso Ook bij automatische incasso verandert er niets. De Belastingdienst zet de incasso zelf om naar het nieuwe rekeningnummer. Internetbankieren Bij betalingen via internetbankieren is het belangrijk om per 1 mei 2026 het nieuwe rekeningnummer te gebruiken dat wordt vermeld in de betaalinformatie bij een belastingaanslag of rekening. Daarnaast is het verstandig het bestaande rekeningnummer in het adresboek van het internetbankieren aan te passen. Papieren overboekingsformulier Bij gebruik van een papieren overboekingsformulier moet per 1 mei 2026 eveneens het nieuwe rekeningnummer worden gebruikt dat staat vermeld op de betaalinformatie bij de aanslag of rekening. Periodieke overboeking Bij een periodieke overboeking moet het rekeningnummer worden aangepast zodra betaalinformatie met het nieuwe Rabobank‑rekeningnummer wordt ontvangen. Lees meer
Bod op onderneming bepaalt waarde bij inbreng Een dierenarts brengt zijn praktijk in een bv in en waardeert de goodwill op € 400.000. Kort daarvoor had een investeerder ruim € 3 miljoen geboden. De rechtbank oordeelt dat de dierenarts dat bod niet zomaar mocht negeren. Investeerder klopt aan Een dierenarts runt samen met zijn ouders een dierenartspraktijk. Begin 2020 meldt zich een grote internationale investeerder met interesse in overname. Na uitwisseling van cijfers volgt in augustus 2020 een bod van € 3,3 miljoen plus een bonus bij toekomstige groei. De familie tekent een intentieverklaring, maar haakt tijdens het boekenonderzoek af. Ze wil de praktijk toch niet uit handen geven. Praktijk ondergebracht in bv Vier maanden later brengt de familie de praktijk onder in bv's. Zij kiezen voor een zogeheten ruisende inbreng: de meerwaarde van de praktijk wordt direct belast, in ruil voor een hogere boekwaarde in de bv. De dierenarts waardeert zijn aandeel op basis van de zogenoemde multiple methode, een gangbare rekenmethode in de branche. Hierbij wordt het bedrag van de veronderstelde jaarwinst vermenigvuldigd met een kapitalisatiefactor. De totale goodwill komt uit op € 400.000. Daardoor blijft de af te rekenen winst in de aangifte beperkt. Een jaar later alsnog verkocht In de zomer van 2021 meldt de familie zich opnieuw bij dezelfde investeerder. Nu volgt een bod van € 5,3 miljoen. Na onderzoek wordt de praktijk verkocht voor € 4,7 miljoen plus groeibonussen. De inspecteur vraagt zich af hoe de praktijk in december 2020 € 400.000 waard kon zijn, terwijl een serieuze koper kort daarvoor € 3,3 miljoen had geboden. Hij verhoogt de goodwill naar € 4,7 miljoen en legt een forse aanslag op. Wat een koper biedt, is de maatstaf De rechtbank legt uit wat 'waarde in het economisch verkeer' betekent: de prijs die de hoogstbiedende zou betalen. Uit het bod van augustus 2020 blijkt dat die waarde rond de € 3,3 miljoen lag. De door de dierenarts gehanteerde waarde van € 400.000 is niet verdedigbaar. Zijn rekenmethode hield geen rekening met de groeikansen die de investeerder zag. Het argument dat de familie helemaal niet van plan was te verkopen, doet niet ter zake. Bij inbreng in een bv gaat het om de objectieve waarde, niet om de plannen van de eigenaar. De rechtbank oordeelt dat de dierenarts bewust een te lage waarde heeft gehanteerd. Hij had moeten weten dat het negeren van een concreet bod zou leiden tot een veel te lage aangifte. De inspecteur gaat uit van de verkoopprijs van 2021, wat volgens de rechtbank ook niet reëel is. Tussen de inbreng en de verkoop is een concurrent in de buurt gestopt, waardoor de verwachting over de toekomstige omzet is gestegen. Die waardestijging bestond nog niet op de inbrengdatum. De rechtbank schat de waarde op € 4 miljoen: het midden tussen het bod van 2020 en de uiteindelijke verkoopprijs. Lees meer
Zes weken om partnerverdeling te wijzigen Fiscale partners kunnen hun onderlinge verdeling van box 3 nog wijzigen na een collectieve uitspraak in een massaalbezwaarprocedure. De Hoge Raad oordeelt dat zij daarvoor zes weken de tijd hebben, gerekend vanaf de verminderingsbeschikking. Box 3 en massaal bezwaar Een man maakt bezwaar tegen zijn aanslag inkomstenbelasting 2017. Zijn bezwaar wordt aangemerkt als massaal bezwaar over de box 3 heffing. In februari 2022 volgt de collectieve uitspraak: het bezwaar is gegrond. In juli 2022 ontvangt de man een verminderingsbeschikking. Een dag later laten hij en zijn echtgenote de inspecteur weten dat zij de verdeling van hun box 3 vermogen willen wijzigen. Zij willen alles toerekenen aan de echtgenote. Inspecteur weigert De inspecteur weigert mee te werken. Volgens hem is de aanslag door de collectieve uitspraak onherroepelijk geworden. Daarna kan de verdeling niet meer worden gewijzigd. De rechtbank legt de kwestie voor aan de Hoge Raad. Wanneer mag de verdeling nog worden aangepast? Fiscale partners mogen hun onderlinge verdeling van bepaalde inkomensbestanddelen wijzigen, zolang de aanslagen van beiden nog niet onherroepelijk vaststaan. Als een aanslag onherroepelijk wordt door een arrest van de Hoge Raad, hebben partners nog zes weken om de verdeling aan te passen. Maar geldt dat ook bij een massaalbezwaarprocedure? Daarin wordt de aanslag onherroepelijk door een collectieve uitspraak, zonder dat de belastingplichtige daar zelf iets aan kan doen. Wetgever heeft dit over het hoofd gezien De Hoge Raad constateert dat de wetgever bij de invoering van de massaalbezwaarprocedure geen rekening heeft gehouden met de gevolgen voor de partnerverdeling. Een letterlijke uitleg van de wet zou betekenen dat partners na een collectieve uitspraak geen mogelijkheid meer hebben om hun verdeling te wijzigen. Dat acht de Hoge Raad onredelijk. Pas na vermindering is er duidelijkheid De Hoge Raad wijst erop dat partners pas een weloverwogen keuze kunnen maken als zij weten wat de cijfermatige gevolgen zijn. Bij een massaalbezwaarprocedure wordt dat vaak pas duidelijk na de verminderingsbeschikking, niet al na de collectieve uitspraak. Het zou onlogisch zijn partners die onder het massaal bezwaar vallen minder gelegenheid te geven dan partners die een individuele procedure hebben gevoerd. Zes weken De Hoge Raad oordeelt dat partners hun verdeling mogen wijzigen tot zes weken na de verminderingsbeschikking die de inspecteur afgeeft ter uitwerking van de collectieve uitspraak. Dat geldt als de inspecteur in de massaalbezwaarprocedure geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld. Een verzoek om ambtshalve vermindering biedt overigens geen extra mogelijkheid de verdeling alsnog te wijzigen. Lees meer
Selectie door algoritme leidt niet tot onrechtmatig bewijs Een administratiekantoor wordt geselecteerd voor controle door het algoritme 'OB Negatief'. De eigenaar stelt dat dit onrechtmatig is en dat alle bevindingen daarom moeten worden uitgesloten. De rechtbank oordeelt anders. Algoritmische selectie is niet per definitie onrechtmatig. Zolang de uiteindelijke beslissing door een mens wordt genomen en geen discriminerende criteria worden gebruikt, mag de Belastingdienst dit hulpmiddel inzetten. Wie vervolgens geen concrete bezwaren tegen de correcties aanvoert, trekt aan het kortste eind. Teruggaafverzoek leidt tot boekenonderzoek Een bv verleent administratieve en fiscale diensten aan ondernemingen. De eigenaar verzorgt zelf de boekhouding en doet de btw-aangiften. Na een verzoek tot teruggaaf over het vierde kwartaal 2022 selecteert het systeem van de Belastingdienst de bv voor controle. Het gaat om het risicoselectiemodel 'OB Negatief'; een algoritme dat negatieve btw-aangiften beoordeelt op de kans dat ze onjuist zijn. De Belastingdienst stelt daarna een boekenonderzoek in over de jaren 2018 tot en met 2022. Naheffingen en boetes Het onderzoek leidt tot naheffingen van in totaal ruim € 64.000. De inspecteur constateert dat de bv voorbelasting heeft afgetrokken voor uitgaven die privé van aard zijn. Daarnaast legt hij over de jaren 2019 tot en met 2022 vergrijpboetes op van 25%. De eigenaar maakt bezwaar, maar de inspecteur houdt grotendeels vast aan de correcties. Algoritme zou onrechtmatig zijn In beroep trekt de eigenaar alle registers open. Hij stelt dat het algoritme in strijd is met de AVG en Europese rechtspraak. Het zou gaan om volledig geautomatiseerde besluitvorming zonder menselijke tussenkomst. Bovendien stond het algoritme niet in het Algoritmeregister. De selectie zou hierdoor onrechtmatig zijn en daarom zouden alle bevindingen moeten worden uitgesloten. Ook klaagt hij over onrechtmatig binnentreden van zijn woning bij het inleidend gesprek en tot slot over het achterhouden van stukken. Rechtbank: geen onrechtmatigheid De rechtbank volgt de eigenaar niet. De Belastingdienst ontvangt jaarlijks 2,6 miljoen negatieve btw-aangiften. Die kunnen niet allemaal handmatig worden beoordeeld. Het algoritme selecteert aangiften met een hogere kans op onjuistheid voor nadere beoordeling door een medewerker. Een mens neemt altijd de uiteindelijke beslissing – wel of geen correctie. Van volledig geautomatiseerde besluitvorming is dus geen sprake. Het algoritme verwerkt alleen zakelijke gegevens zoals aangiftebedragen, betalingsgegevens en bedrijfsgegevens. Bijzondere persoonsgegevens zoals etnische afkomst worden niet gebruikt. De eigenaar heeft ook geen concrete feiten aangevoerd waaruit discriminatie of een ander onoorbaar criterium zou blijken. Correcties terecht toegepast De inhoudelijke correcties zijn uitgebreid onderbouwd in het controlerapport. De eigenaar volstaat met de algemene stelling dat de administratie onjuist zou zijn, maar concretiseert dit niet. Ook na inzage in de auditfiles waarop de controle is gebaseerd, benoemt hij geen specifieke fouten. De rechtbank acht de correcties aannemelijk. De boetes van 25% zijn eveneens terecht: het gaat om privé-uitgaven die als zakelijk zijn opgevoerd. Van iemand die zelf fiscale diensten verleent, mag worden verwacht dat hij dit onderscheid kent. De rechtbank spreekt van grove schuld. Lees meer
Rente van 9% op lening van ouders is niet zakelijk Een man werkt als belastingadviseur en participeert daarnaast in de agrarische maatschap van zijn ouders. In 2015 koopt hij de ouderlijke woning voor € 315.000. Hij leent het volledige bedrag van zijn ouders. De afspraken: 9% rente per jaar, een looptijd van tien jaar, geen aflossing en geen hypotheek. De man activeert de woning op zijn ondernemingsbalans en trekt de rente af als bedrijfskosten. Na de aankoop blijft iedereen gewoon in de woning wonen: de man zelf, zijn ouders en zijn twee zussen. 9% niet zakelijk De man betoogt dat een bank hem nooit zou hebben gefinancierd. Geen hypotheek, geen eigen geld, een bedrijfswoning in agrarisch gebied. Volgens hem was crowdfunding het enige alternatief en daar gelden rentepercentages tot 8%. Met een kleine opslag kom je dan op 9%. Het hof gaat hier niet in mee. De ouders hadden weliswaar geen hypotheek bedongen, maar zij hadden wel degelijk zekerheden. In de maatschapsakte is geregeld dat de man de woning niet zonder toestemming van zijn ouders mocht verkopen of bezwaren. Bovendien hadden de ouders een terugkooprecht bedongen. En dan was er nog de familiaire verhouding. Het is onwaarschijnlijk dat de man de ouderlijke woning zonder overleg zou vervreemden. De ouders liepen daardoor veel minder risico dan een willekeurige derde. Een rente van 4,5% is passend. Waarde van de woning In 2018 brengt de man zijn aandeel in de maatschap in een bv in. De woning houdt hij buiten de inbreng en brengt hij over naar privé. Hij claimt daarbij een fors boekverlies. De woning staat op de balans voor bijna € 370.000, maar volgens een taxateur is de waarde gedaald naar € 275.000. Bovendien past de man een korting toe van 35% wegens zelfbewoning. Onder de streep: een verlies van ruim € 190.000. De taxaties van de waarde van de woning lopen uiteen: € 275.000, € 300.000 en € 392.000. De inspecteur houdt de waarde van € 392.000 aan. Na correctie slaat het verlies om in winst. Het hof vindt geen van de taxaties overtuigend en stelt de waarde in goede justitie vast op € 350.000. Met de korting van 35% wegens zelfbewoning resteert nog steeds een boekverlies, maar veel kleiner: € 32.017 in plaats van € 190.000. Boete vernietigd De inspecteur had ook een vergrijpboete opgelegd. De man zou opzettelijk een onjuiste aangifte hebben gedaan. Het hof verwerpt dit. De inspecteur baseerde zijn redenering op de aanname dat zelfbewoning zowel bij aankoop als bij onttrekking de waarde drukt. Die aanname is onjuist. Bij aankoop geldt dat niet. Daarmee valt de grondslag voor de boete weg. Lees meer
Kwijtscheldingswinstvrijstelling vervalt door herinvesteringsreserve Een bv verkoopt in 2018 een schip met winst en vormt een herinvesteringsreserve. In 2019 scheldt de bank een deel van de schulden kwijt. De bv claimt de kwijtscheldingswinstvrijstelling, maar de rechtbank steekt daar een stokje voor. De herinvesteringsreserve zorgt ervoor dat te veel verrekenbare verliezen resteren. Twee schepen verkocht Een moedermaatschappij staat aan het hoofd van een fiscale eenheid. Via een vennootschap onder firma (vof) bezit zij de helft van een vrachtschip. In 2018 wordt dat schip verkocht met een boekwinst van ruim € 724.000. Die winst doteert zij aan de herinvesteringsreserve. In 2019 wordt de vof ontbonden. De bank verleent finale kwijting voor de resterende schulden. Het kwijtgescholden deel dat de moedermaatschappij aangaat, bedraagt bijna vier ton. Herinvestering via de fiscale eenheid De vervangende investeringen worden niet door de moedermaatschappij zelf gedaan, maar door twee dochtervennootschappen binnen de fiscale eenheid, die in 2019 nieuwe schepen aanschaffen. De moedermaatschappij boekt de herinvesteringsreserve af op deze investeringen. Vrijstelling geclaimd In de aangifte 2019 past de moedermaatschappij de kwijtscheldingswinstvrijstelling toe voor het volledige bedrag van bijna vier ton. Die vrijstelling geldt voor zover de kwijtscheldingswinst de verrekenbare verliezen overstijgt. De gedachte: als er geen verliezen meer zijn om te verrekenen, hoeft de kwijtscheldingswinst niet belast te worden. Probleem: de fiscale eenheid Bij een fiscale eenheid gelden speciale regels. De vrijstelling geldt alleen voor zover de bv er ook recht op zou hebben gehad als zij zelfstandig was gebleven. De moedermaatschappij betoogt dat zij dan geen herinvesteringsreserve had kunnen vormen. De vervangende investeringen deden immers de dochters, niet zijzelf. Zonder die reserve zou haar winst in 2018 ruim € 830.000 zijn geweest en zouden alle eerdere verliezen zijn verrekend. In dat geval resteert geen verlies en is de vrijstelling volledig van toepassing. Rechtbank: herinvesteringsreserve telt mee De rechtbank volgt dit betoog niet. Bij de zelfstandige winstberekening moet de herinvesteringsreserve worden meegenomen bij de vennootschap die de boekwinst behaald heeft. Dat is nu eenmaal de moedermaatschappij. Zonder boekwinst valt niets te doteren, dus de reserve kan niet bij een andere vennootschap worden gevormd. Bovendien bestond een van de dochters in 2018 nog niet. Toerekening aan haar is dus ondenkbaar. Met de herinvesteringsreserve bedraagt de zelfstandige winst 2018 slechts € 107.000, met als gevolg dat ruim € 727.000 resteert aan verrekenbare verliezen. Die verliezen overstijgen de kwijtscheldingswinst. De vrijstelling vervalt. Lees meer
Afwaardering pand naar verkoopprijs: niet te vroeg en niet te laat Verliezen mogen pas worden genomen wanneer de feiten zich voordoen. Voorzichtigheid is mooi, maar de Belastingdienst rekent af op basis van wat je op de balansdatum weet. Niet op basis van wat je later blijkt te weten. Wellnesscentrum gaat failliet Een holding bezit via een dochtervennootschap een bedrijfspand waarin een wellnesscentrum wordt geëxploiteerd. Het pand staat op de balans voor bijna € 4 miljoen. In 2019 gaat het wellnesscentrum failliet, waarna de dochter het pand voor € 2,9 miljoen verkoopt. Vlak voor de levering in 2020 wordt de prijs verder verlaagd naar € 2,5 miljoen, aangezien de koper had ontdekt dat de ontwikkelingsmogelijkheden tegenvielen. Kan het verlies naar voren worden gehaald? De holding wil het verlies niet in 2020 nemen, maar in 2018. Toen was reeds duidelijk dat het slecht ging met het wellnesscentrum en dat het pand ver onder de boekwaarde zou worden verkocht. De inspecteur weigert dit. De dochter die het pand bezit, bestaat nog steeds. Er is geen reden om af te waarderen naar een soort opheffingswaarde. Het feit dat het faillissement van de huurder in zicht was, is onvoldoende. Foutenleer biedt geen uitweg De holding probeert het ook via een andere route. Zij stelt dat in eerdere jaren te weinig is afgeschreven en dat dit nu moet worden ingehaald. De rechtbank acht dit niet overtuigend en oordeelt dat de holding niet aannemelijk heeft gemaakt dat er fouten zijn gemaakt. Een wat voorzichtiger afschrijvingsbeleid is geen fout die later mag worden gecorrigeerd. En 2019 dan? Voor 2019 wil de holding afwaarderen naar € 2,5 miljoen: de prijs waarvoor het pand uiteindelijk is verkocht. De inspecteur accepteert alleen afwaardering naar € 2,9 miljoen: de prijs in het koopcontract van 2019. De reden hiervoor is dat de verdere prijsverlaging pas in 2020 kwam. De rechtbank volgt de inspecteur. Op 31 december 2019 bestond er nog geen reden om aan te nemen dat de prijs zou dalen. Die wetenschap kwam pas later. Toch gedeeltelijk gelijk Helemaal met lege handen staat de holding niet. De inspecteur bleek bij de aanslag 2019 te zijn uitgegaan van een te hoge boekwaarde. Na correctie resteert een verlies van ruim € 1 miljoen. De aanslag wordt verminderd tot nihil. Lees meer
Uitstel bedrag ineens naar 1 januari 2029 Het kabinet stelt de invoering van het keuzerecht bedrag ineens opnieuw uit. De beoogde ingangsdatum van 1 juli 2026 wordt verschoven naar 1 januari 2029. De pensioensector staat voor een grote opgave door de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel. Uitvoerders hebben aangegeven dat de gelijktijdige invoering van zowel de stelseltransitie als het keuzerecht bedrag ineens te zwaar drukt op hun capaciteit. Lees meer
Vrachtwagenchauffeur hield terecht de vrachtwagen van zijn werkgever vast Op 6 februari 2026 staakt een vrachtwagenchauffeur uit Tadzjikistan zijn rit langs de A1 bij Deurningen. Hij stopt met rijden en bezet de vrachtwagen van zijn werkgever, omdat hij wil dat zijn achterstallige loon wordt uitbetaald. De kantonrechter van de rechtbank Overijssel oordeelt dat de chauffeur dit terecht heeft gedaan. Retentierecht De chauffeur verblijft sinds hij zijn werk heeft neergelegd in de cabine van de vrachtwagen, die geparkeerd staat op een parkeerplaats langs de snelweg. Hij beroept zich op zijn retentierecht: de man bezet de vrachtwagen totdat zijn werkgever het achterstallige loon uitbetaalt. Het gaat in totaal om bijna € 18.000. Het vasthouden van de vrachtwagen is een drukmiddel om de werkgever de schuld te laten betalen. De werkgever, een transportbedrijf uit Litouwen, spant een kort geding aan. Ze eist dat de chauffeur de vrachtwagen onmiddellijk teruggeeft. De chauffeur eist op zijn beurt, nu ook via de rechter, dat de werkgever het achterstallige loon uitbetaalt. Terecht De rechtbank oordeelt dat de vrachtwagenchauffeur terecht een beroep heeft gedaan op zijn retentierecht. De chauffeur uit Tadzjikistan staat in zijn recht wanneer hij zijn achterstallige salaris opeist en de vrachtwagen van zijn werkgever als drukmiddel gebruikt. De kantonrechter veroordeelt het transportbedrijf tot het uitbetalen van de achterstallige betalingen. Dagvergoedingen voor West-Europese ritten Tijdens de zitting wordt duidelijk dat de werkgever beloofde om de chauffeur een gedeelte van zijn loon, de dagvergoedingen, uit te betalen op het moment dat hij weer terug in Litouwen zou zijn. Dit gebeurt niet, omdat het transportbedrijf telkens weer een nieuwe rit voor de chauffeur plant. Hij blijft dus maanden rondrijden in Nederland, Duitsland en België. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever hierin tekortgeschoten is. De chauffeur heeft namelijk geld nodig om onderweg, tijdens zijn ritten, in zijn levensonderhoud te voorzien. De werkgever had de man twee keer per maand volledig moeten uitbetalen, zoals dat in de arbeidsovereenkomst is afgesproken. Dit heeft de werkgever niet gedaan. Daarnaast heeft het transportbedrijf geen loonspecificaties aan de chauffeur gegeven. Lees meer
Nabetaling pensioen niet toerekenbaar aan eerdere jaren Een man ontvangt in 2018 een nabetaling van zijn pensioenfonds over een periode van meer dan 11 jaar. De inspecteur heeft deze nabetaling volledig gerekend tot het belastbaar inkomen in 2018. Als gevolg hiervan moet de man de toeslagen die hij in 2018 heeft ontvangen terugbetalen. Ook moet hij een bedrag terugbetalen aan het UWV. Gelet op de nadelige gevolgen van de toerekening van de nabetaling aan het jaar 2018, wil de man dat de nabetaling wordt verdeeld over de jaren 2007 tot en met 2018. Vorderbaar en inbaar Het hof oordeelt dat het niet mogelijk is om de nabetaling uit het inkomen van 2018 te halen en alsnog toe te rekenen aan de voorgaande jaren. Loon of periodieke uitkeringen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip dat deze zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking zijn gesteld, rentedragend zijn geworden of vorderbaar en inbaar zijn geworden. De man heeft de pensioenuitkering pas in 2018 aangevraagd en ook pas in 2018 toegewezen gekregen. In de eerdere jaren bestond dus weliswaar een vorderbare uitkering, maar die was nog niet direct inbaar. De inspecteur heeft de nabetaling daarom terecht tot het belastbaar inkomen van 2018 gerekend. Lees meer
Doorlenen tegen hogere rente is winstuitdeling Een bv leent een miljoen aan haar dga tegen 2% rente. De dga leent datzelfde bedrag door aan derden tegen 7% rente. Het verschil van 5% steekt hij in eigen zak. De inspecteur ziet dit als een verkapte winstuitdeling. Het hof is het daarmee eens. Wie aan zijn eigen bv minder rente betaalt dan hij vraagt van een derde, bevoordeelt zichzelf als aandeelhouder. Twee leningen, één geldstroom De dga leent geld uit aan een zakenrelatie en diens bv. Dit geld leent hij van zijn eigen bv tegen een lagere rente. Het geld gaat rechtstreeks van de bv naar de zakenrelatie. De dga fungeert als doorgeefluik en houdt jaarlijks het renteverschil (van ruim € 45.000). De inspecteur prikt erdoorheen De inspecteur constateert dat de twee leningen nagenoeg identiek zijn. Dezelfde hoofdsom, hetzelfde moment van aangaan, dezelfde afwezigheid van zekerheden en tussentijdse aflossingsverplichtingen. Zelfs de aflossingsdata vallen samen. Het enige verschil is de rente. De inspecteur stelt dat de bv een onzakelijk lage rente heeft bedongen van haar aandeelhouder. Dat renteverschil is een verkapte winstuitdeling die tot de winst van de bv moet worden gerekend. Vermogenspositie maakt geen verschil De rechtbank geeft de bv nog gelijk. De vermogenspositie van de dga zou gunstiger zijn dan die van de zakenrelatie, waardoor een lagere rente gerechtvaardigd zou zijn. Het hof denkt daar anders over. De zakenrelatie bezit 42 onroerende zaken en heeft een aanzienlijke rendementsgrondslag in box 3. De dga beschikt naast zijn box 3-vermogen ook over alle aandelen in de bv, met een waarde van ruim € 3 miljoen. Beide partijen kunnen de lening van € 1 miljoen eenvoudig terugbetalen. Het verschil in vermogenspositie verklaart het renteverschil dus niet. Bewust of onbewust? Het maakt niet uit Het hof oordeelt dat sprake is van een opzettelijk winstgemis. Gezien het substantiële renteverschil had het voor de bv en de dga, die als enig aandeelhouder en bestuurder met elkaar te vereenzelvigen zijn, duidelijk moeten zijn dat 2% een onzakelijk lage rente was. Of zij zich bewust waren van de exacte omvang van de bevoordeling, doet er niet toe. Het verschil van ruim € 45.000 is een winstuitdeling en wordt bij de winst van de bv opgeteld. De inspecteur krijgt gelijk. Lees meer
AI als juridisch adviseur: rechter niet onder de indruk Een man krijgt een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Hij maakt bezwaar en gaat vervolgens in beroep. Hij verwijst naar een uitspraak die niet bestaat en hamert op een verkeerde straatnaam in de aanslag. De rechtbank vermoedt dat de man juridisch advies heeft ingewonnen bij ChatGPT. Dat had hij beter ‘bij iemand die ter zake kundig is’ kunnen doen. Fout parkeervak, foute straatnaam Een man parkeert, zonder te betalen, zijn auto in een zijstraat zonder naam in 's-Hertogenbosch. Een scanauto registreert de overtreding en een naheffingsaanslag volgt. De man maakt bezwaar tegen de naheffingsaanslag, aangezien in de aanslag een verkeerde straatnaam is vermeld. De heffingsambtenaar legt uit dat het systeem bij een naamloze straat automatisch de dichtstbijzijnde straat met een naam selecteert. De man laat het er niet bij zitten en gaat in beroep. Hij vindt dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag. Hallucinerende AI De rechtbank heeft de indruk dat de man juridisch advies heeft ingewonnen bij ChatGPT of een andere generatieve AI. Een sterke aanwijzing hiervoor is dat de man verwijst naar een uitspraak van rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2022. Deze uitspraak bestaat niet. Het ECLI-nummer betreft een niet-gepubliceerde uitspraak van 20 juli 2022 in een civiele zaak. Ook is van de rechtbank Amsterdam geen uitspraak van 18 augustus 2022 gepubliceerd die over een parkeerbelastingzaak gaat. De rechtbank overweegt dat generatieve AI regelmatig 'hallucineert' bij het aanhalen van rechtspraak. Had de man een deskundige geraadpleegd, dan had deze hem verteld dat procederen zinloos was. Dit had hem zowel de naheffingsaanslag als het griffierecht bespaard. Zo formalistisch zit het recht niet in elkaar De rechtbank maakt korte metten met de argumenten van de man. De straatnaamvermelding dient ertoe dat duidelijk is waar het voertuig stond. Dat was de man kristalhelder, want hij voegde zelf een kaartje bij zijn beroepschrift met de exacte locatie. Die kwam vrijwel overeen met de registratie van de heffingsambtenaar. Een verkeerde straatnaam is dus geen reden de aanslag te vernietigen. De man voert verder aan dat het parkeerbord niet goed zichtbaar was door begroeiing. De rechtbank acht het opvallend dat hij dit argument pas in laatste instantie opwerpt. Bovendien stonden er zoneborden langs de toegangswegen, waardoor de betalingsverplichting voldoende duidelijk was. Vraag een mens Deze uitspraak is een waarschuwing voor wie juridisch advies inwint bij AI. Generatieve AI kan overtuigend klinkende, maar onjuiste informatie produceren, inclusief verwijzingen naar niet-bestaande rechtspraak. Advies inwinnen bij iemand die ter zake kundig is, scheelt een gang naar de rechter (én het schaamrood op de kaken). De man in kwestie is nu niet alleen de al betaalde kosten voor de naheffingsaanslag kwijt, maar ook het griffierecht. Leergeld, zullen we maar zeggen. Lees meer
Recht op alle voordelen uit aandelen is aanmerkelijk belang Een man verstrekt via een fonds een lening waarmee aandelen worden gekocht. Alle opbrengsten uit die aandelen komen aan hem toe. Op een deel van de vordering rust een optie. De man meent dat hij daardoor geen aanmerkelijk belang meer heeft. Het hof oordeelt anders: wie recht heeft op alle voordelen uit aandelen, is aandeelhouder voor de aanmerkelijkbelangregeling. Lening met een gouden randje Een man verstrekt in 2011 samen met anderen een lening van € 550.000 aan een fonds. Zijn aandeel is € 150.000. Het fonds koopt met dat geld aandelen in een veelbelovend bedrijf. Tot zover niets bijzonders. Maar let op de kleine lettertjes: alle opbrengsten uit die aandelen – dividend, verkoopwinst, noem maar op – komen volledig aan de geldverstrekkers toe. De 'rente' op de lening is dus geen rente, maar pure winstdeling. Wordt het bedrijf verkocht, dan verdwijnt de lening en casht de man mee. Een lening met een gouden randje, zou je kunnen zeggen. De truc met de optie Tegelijk met de lening verleent de man een call-optie aan een andere partij op 20% van zijn vordering. Zijn redenering is dat hij door de call-optie niet het volledige economische belang heeft. In 2014 verkoopt het fonds de helft van de aandelen en wordt de optie uitgeoefend. Zijn resterende belang is 5,3%. Als je 20% daarvan aftrekt voor de optie, kom je uit op 4,24%. En dat is net onder de magische 5%-grens voor een aanmerkelijk belang. Geen box 2, maar box 3. Scheelt een slok op een borrel: 25% versus een fractie daarvan. Verder dan de verpakking In 2018 worden de resterende aandelen verkocht. De man ontvangt ruim € 900.000 en geeft dit keurig aan in box 3. De inspecteur denkt daar anders over en belast het bedrag in box 2. De rechtbank geeft de man nog gelijk, maar het hof draait het om. De redenering is helder. Tot het moment dat de optie wordt uitgeoefend, komen alle voordelen uit de aandelen aan de man toe. Dat staat zwart op wit in de leningsovereenkomst. En wie recht heeft op alle voordelen, heeft een zogeheten genotsrecht. De wet is daar duidelijk over. Een genotsgerechtigde wordt gelijkgesteld met een aandeelhouder. Zijn belang is dus 5,3%. Ruim boven de ab-grens. Creatief, maar niet creatief genoeg De constructie was creatief, maar niet creatief genoeg. De Belastingdienst kijkt niet naar het etiket, maar naar de inhoud. Een lening die ruikt naar aandelen, smaakt naar aandelen en rendeert als aandelen, wordt behandeld als aandelen. De man moet box 2-belasting betalen over ruim € 830.000. Lees meer
Bestemmingswijziging levert belastbare winst op Een man koopt een boerderij met agrarische bestemming. Hij regelt een bestemmingswijziging en splitst het perceel in tweeën. De ene helft verkoopt hij met winst, de andere houdt hij. De inspecteur belast de waardestijging als resultaat uit overige werkzaamheden. Het hof is het daarmee eens. Wie actief aan de slag gaat met bestemmingsplannen, doet meer dan normaal vermogensbeheer. Van bijstandsuitkering naar vastgoedproject Een man met een bijstandsuitkering ziet in 2017 een boerderij te koop staan die al jaren geen koper vindt. De boerderij heeft een agrarische bestemming, waardoor deze alleen geschikt is voor een boer met een bedrijf. De man ruikt een kans. Hij belt de gemeente en hoort dat de gemeente wil meewerken aan een bestemmingswijziging. Sterker nog, via de ruimte-voor-ruimteregeling mag hij de oude kassen slopen in ruil voor een extra bouwkavel. De man schakelt een juridisch planbureau in, laat onderzoeken uitvoeren en koopt de boerderij, onder de ontbindende voorwaarde dat de bestemmingswijziging slaagt, voor € 510.000. Splitsen en verkopen In juni 2018 is het zover. De gemeente keurt het nieuwe bestemmingsplan goed. De boerderij is nu gesplitst in twee percelen met elk een woonbestemming. De bouwkavel zet de man direct te koop voor € 550.000. Meer dan de aankoopprijs van het geheel. Er meldt zich geen koper voor de kavel, maar wel voor de boerderij zelf. Die verkoopt de man voor € 550.000. De kavel houdt hij voorlopig zelf, met plannen om er ooit te bouwen. Eén probleem: hij heeft geen geld. De levering wordt een ABC-transactie, waarbij de verkoopopbrengst van de boerderij rechtstreeks de aankoop financiert. Geen normaal vermogensbeheer De inspecteur ziet het anders. De waardestijging is het directe gevolg van de werkzaamheden van de man. Dat is geen normaal vermogensbeheer, maar een belastbare werkzaamheid. Het hof is het daarmee eens. Wie een bestemmingswijziging initieert, onderzoeken laat uitvoeren en de voortgang coördineert, doet méér dan een passieve belegger. Dat de man het werk uitbesteedde, maakt niet uit. De werkzaamheden van derden worden aan hem toegerekend. Op het moment dat de man besluit de kavel te houden, staakt hij de werkzaamheid en moet hij afrekenen over de waardestijging. Lees meer